XX.
't Was of zich zijn gelaat verzachtte, Waarop een vriendlijker gedachte, Zich reeds by voorraad lezen liet, Als hy dus voortging:
‘“Ween zoo niet!” Ach, ween niet! Doe my niet gevoelen Hoe teêr ik u heb lief gehad!.... En doe my niet bekennen - dat.... Die liefde nog niet kon verkoelen. Ik moet niets weten dan mijn schuld! Ik mag mijn vonnis niet verzachten, En als me een week gevoel vervult, Dan - O! Bestrijd het, al mijn krachten! Ook dit is uit den Duivel - Neen! Mijn zuster, Machteld! Ga nu heen! Ontvlucht my, - zij ons afscheid snel, Een kort - een koud - slechts één Vaarwel! Geen kus - ik kuste u zoo veel malen, In schuld en zonde en als uw Man,
Dat ik 't als Broeder nu niet kan.... Vaarwel! Laat my 't niet weer herhalen; Ik heb u lief dit oogenblik - Vlucht voor mijn toorn u weer verschrikk'! Ik voel den Duivel om my dwalen! Om Gods wil, Machteld! ga nu heen! O By die min, die eens ons blaakte, En ons zoo diep rampzalig maakte, Bezweer ik u, laat my alleen. God.... Maar van my geen zegen! Neen, Hy daalde op u als vloekspraak neder, - Vaarwel! Gy ziet my nimmer weder, - Noch hier, noch daar!... Ga heen, ga heen!”’
‘Nooit!’ - gilt ze, en werpt zich aan zijn voeten, En slaat haar armen om zijn kniên: - ‘Niet dus is 't dat wy scheiden moeten! Ik wil mijn lieven broeder zien! Ik zal uw zijde niet begeven; Ik ben uw zuster: 'k deel uw lot, Dat kàn niet zondig zijn voor God; Ik mag als zuster voor u leven. Ik deel uw misdaad en uw straf! Ik sta u nimmer, nimmer af. -
Ik poog uw jammer te verzoeten. Wy zullen saam den gruwel boeten! Wy zullen boeten tot ons graf! De Heer zàl zich verbidden laten - Maar kan geen poenitentie baten, Moet gy rampzalig zijn; welnu Ook dat.... (God!) - ja, ook dat met u.’
Cookies on Poetry Cove