VII.
De Maan was uit een nevel opgegaan; Haar breede schijf, min zilver nu dan goud, Dreef statig boven 't donker beukenhout, En drong haar licht door 't duister van de blaân. Elk heeft gewis, in menig stille nacht Zijns levens, tot haar lichtgloed opgezien, En by dien glans aan velerlei gedacht, Aan eigen, - aan haar schijnbaar lot misschien!? Daar zijn, die, by den aanblik van haar gloed, De liefdevlam versterken in 't gemoed; Daar is er, wien haar vriendelijke schijn Gelukkig, kalm, gerust en vroom doet zijn,
Ook hebben er der dweepzucht toegegeven, In 't staren naar dat plechtig voorwaart zweven; Daar is er, wie haar liefelijke gloed Zacht, veel (en onvoorzichtig!) droomen doet. Maar, waar ze ook 't hart van andren meê vervult, My wekt ze altijd het denkbeeld van Geduld. De zedige Beschroomde, die bescheiën, Met bleeke wang, aan de oosterkim verschijnt, Niet blinkend vóór een machtiger verdwijnt, En dàn! gesterkt door aller starren reien, Als die haar ongenoegzaamheid beseft. Zoo ziet gy haar den vromen strijd beginnen Met iedre wolk, die zich tot haar verheft, Gelaten zwichten, zedig overwinnen, En lijdlijk zijn in alles wat haar treft. Wat immer haar bedroeve, of kwelle, of trachte Te ontluistren en te dooven aan den trans, Indien ze slechts één straaltjen van haar glans Kan redden en doen schemeren, - de Zachte Weêrhoudt het niet van wie het smachtend oog Van de aarde tilt en opslaat naar omhoog, En iedre speling van haar gloed Brengt balsem voor 't bedrukt gemoed.
Zie, wel mocht zy vertroost zijn door die stralen, Die in den boog van 't hooge burchtraam zit: Nu eens het oog ten hemel heft en bidt, En dan de blikken neêr doet dalen Op 't zilver kruisbeeld in haar hand, Of op het snoer gewijde kralen, Uit cederhout van 't Heilig land, Met vrome teekenen besneden, Een kring van kinderlijke beden, In zusterlijk verband!
Cookies on Poetry Cove