Skip to content
1837

Guy de Vlaming

Nicolaas Beets

IV.

Maar zulke waren mijn gedachten, En dus was mijn verzuchting niet, Toen ik mijn blikken dalen liet, Op Poelgeests nuttelooze grachten, Toen 'k op een steenbrok nederzat, Of in den kleinen toren trad, - Geen puinhoop die my hoeft te leeren Hoe rang en grootheid kan verkeeren, - - - - - - - - - - - Daar is een wet voor elks verval, Die geen heraut verkrachten zal; De Grootheid wisselt hier op aarde, En zoo men zich zijns vaders bloed, Noch eigen daden schamen moet, Zoo zie ik naauwlijks wat voor waarde Een fier en vrijgeboren man Nog in de glorie stellen kan, Die hem dit flaauw verguldsel baarde!

Neen! toen ik op dien bouwval zag, Toen schenen zich herinneringen Van alles wat voor jaar en dag Gebeurd was aan my op te dringen; In mijn gedachten schikte ik weêr De slotvertrekken als weleer, En 't was als of die 't huis bewoonden Zich beurtlings aan mijn oog vertoonden: Die Jan, wiens ridderlijke stem, Daar hy zijn Ruitertroep geleidde, Gehoord was voor Jerusalem; En dan die lieflijke Adelheide, Beklagenswaarde, voor wier lot Ik niet vergeefs by Hollands schoonen Een droeve traan zocht af te tronen, - Zy sleet haar jonkheid op dit slot! Maar plotsling rees my voor de zinnen Die zaal met somber zwart gehuld, En 'k trad haar aaklig duister binnen, Van huivering en schrik vervuld.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Guy de Vlaming · Nicolaas Beets · Poetry Cove