IV.
Maar zulke waren mijn gedachten,
En dus was mijn verzuchting niet,
Toen ik mijn blikken dalen liet,
Op Poelgeests nuttelooze grachten,
Toen 'k op een steenbrok nederzat,
Of in den kleinen toren trad, -
Geen puinhoop die my hoeft te leeren
Hoe rang en grootheid kan verkeeren, -
- - - - - - - - - -
Daar is een wet voor elks verval,
Die geen heraut verkrachten zal;
De Grootheid wisselt hier op aarde,
En zoo men zich zijns vaders bloed,
Noch eigen daden schamen moet,
Zoo zie ik naauwlijks wat voor waarde
Een fier en vrijgeboren man
Nog in de glorie stellen kan,
Die hem dit flaauw verguldsel baarde!
Neen! toen ik op dien bouwval zag,
Toen schenen zich herinneringen
Van alles wat voor jaar en dag
Gebeurd was aan my op te dringen;
In mijn gedachten schikte ik weêr
De slotvertrekken als weleer,
En 't was als of die 't huis bewoonden
Zich beurtlings aan mijn oog vertoonden:
Die Jan, wiens ridderlijke stem,
Daar hy zijn Ruitertroep geleidde,
Gehoord was voor Jerusalem;
En dan die lieflijke Adelheide,
Beklagenswaarde, voor wier lot
Ik niet vergeefs by Hollands schoonen
Een droeve traan zocht af te tronen, -
Zy sleet haar jonkheid op dit slot!
Maar plotsling rees my voor de zinnen
Die zaal met somber zwart gehuld,
En 'k trad haar aaklig duister binnen,
Van huivering en schrik vervuld.