Skip to content
1837

Guy de Vlaming

Nicolaas Beets

XIV.

Met huivring trad zy in die zaal. Het was er donker. Niet één straal Van licht, die door 't behangsel drong, Dat voor de naauwe vensters hong; En Machteld zag, in dit gebied Van duisterheid, haar gade niet. Onzeker tastte zy in 't rond, Tot dat haar hand een zetel vond; Zy sloot het oog, en siddrend zat De jonge Burchtvrouw neêr en bad. De Vlaming, (zoo hy waarlijk daar Aanwezig was!) sprak niet tot haar; Zy werd geen ademtocht gewaar; Ook zy dorst naauwlijks aadmen, dorst Niet zuchten, schoon haar enge borst Door siddring werd benaauwd en vrees, -

O! In die stilte was iets wreeds! Maar eindlijk noemde een kranke stem Haar naam - ja! zy herkende hem! Wel was de droevigheid des toons Waarop hy sprak iets ongewoons, Maar toch, de naam werd teder, zacht En zonder stroefheid uitgebracht. 't Was Guy! - haar Guy! Heur vrees verdween: Hy moest by 't venster staan, naar 't scheen, En ijlings vloog zy derwaarts heen. - Zy vond hem - leenende aan den wand, Het hoofd verborgen in de hand; - Zy sloeg haar armen om zijn leest, En hield hem aan haar hart gedrukt, En was zoo zalig, zoo verrukt, Als waar heur gade dood geweest, En nu, na hopelooze smart, Teruggegeven aan heur hart. En ook die Gade-zelf - hy scheen Veeleer een lijk, een beeld van steen, Door zucht noch kus verwarmd; Zoo onbeweeglijk stond hy daar, Als werd hy kus noch Gâ gewaar, En in zijn slaap omarmd.

Maar toen de lieve, teedre vrouw Zijn aangezicht ontdekken wou, Was 't of hem, plotseling ontwaakt, Een gifte slang had aangeraakt, En hy verschrikte; snel en stug Stiet hy haar tederheid terug; Hy wendde 't hoofd; voorkwam den kus, Die op zijn lippen dalen moest, En sprak op harden toon en woest: ‘Neen; Machteld! niet aldus.’

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Guy de Vlaming · Nicolaas Beets · Poetry Cove