XVII.
Toen volgde er een langdurig zwijgen, Als op zoo'n uitspraak volgen moet. De wanhoop kan niet hooger stijgen Dan waar men deze hooren doet. te laat - Noodlottig woord in 't leven, Waar niets zoo duur is als de tijd, En ge immer in verzoeking zijt Hem ongebruikt terug te geven. te laat - Verschriklijk! Zoo gy immer Die woorden tot u-zelven spraakt - O, Ik bezweer u doe het nimmer Waar 't boeten of bekeeren raakt! -
Maar Guy; hy had het uitgesproken, - De gruwel, dien hy zich verweet,
Moest door een eeuwigheid van leed Vergolden worden en gewroken! En Machteld? Machteld! ach zy wist Niet wat; het werd haar langs hoe banger; Hetgeen zy vroeger had gegist Geloofde zy nu naauwlijks langer; - Neen! Neen! onzinnig scheen hy niet; Maar kon hy schuldig zijn aan iet Dat geen genade kon verwerven? En kon hy zonder hope sterven?.... Het werd haar licht in 't hoofd; de kracht Ontzonk haar; schoon zy mijmrend zat En peinzende, naar 't scheen, zy dacht Aan niets; zy weende zelfs, noch bad: Zy hield den doffen blik ter aarde, Of zag haar onverstaanbren gâ Met ziellooze oogen rustloos na, Wanneer hy door de kamer waarde, Of plotsling stilstond om haar aan Te staren en weêr voort te gaan. Soms; schoon het in die ernstige uren, En in zijn toestand, wonder scheen; Stond hy op dwaze nietigheên Aandachtig de oogen uit te turen, -
Betrachtte een luchter, of bezag Een veder, die op tafel lag; Of volgde met de vingerspits Den omtrek van een vensternis; Of zag by 't maanlicht doelloos uit; Of maakte trekken op de ruit; Of, naar het scheen, bedacht zich weder, En trad weêr rustloos op en neder.
Cookies on Poetry Cove