XXV.
Hier zweeg de Heidensche. Beklagen Wy haar alleen, - de Dooden niet!
Zy, moest des onspoeds barste slagen, Gebrek, Ellende, en Haat verdragen, En zonder helderder verschiet. Voor hen, zou nu de morgen dagen, Waarin hun vrijgemaakte ziel Een beter lot te beurte viel, Waar vrezen, lijden is noch klagen! Zy hadden beiden vroom geleefd, - Gehoopt, geloofd, bemind, gebeden, Den Heiland als hun Heer beleden, En naar volmaking steeds gestreefd. Een gruwel hadden zy bedreven, Maar in onwetendheid, en hy Al 't ovrige - in zijn razerny! Dezulken kan de Heer vergeven! Of denkt gy wischt dit zwart besluit Geheel een helder leven uit?....
Zy dachten 't, die hun beider lijken Het voorrecht van gewijden grond Ontzegden. Op hun grafkuil stond Noch heilig kruis, noch naam te prijken. Zy waren vreemden in dal oord:
Geen zielmis werd voor hen gehoord; Hun dienstbren vluchtten of vergaten; Des Vlamings maagschap kwam en zag - Niet waar hun doode broeder lag - Maar, wat hy hun had nagelaten. Een nieuw Bewoner trok op 't Huis; Hy deed die droevigste aller Zalen Met zwart behangen, Machtelds kruis, Guy's dolk aan een der wanden pralen; (Die zag men blinken als het licht Der maan de vensters in mocht stralen;) Hy metselde de Zaaldeur dicht; En als een Vreemde op Poelgeest beidde, En vraagde: ‘Wat is hier geschied?’ Was alles wat de Slotvoogd zeide: ‘“Verzoek de booze Geesten niet!”’
Nyenburgh, 1836.
Cookies on Poetry Cove