Geschiedenis van het geslacht Kuser. Sedert de uitgave van mijn Kuser heb ik van tijd tot tijd, naar mate 't my voorkwam, al datgene opgeteekend, 't welk omtrent hem of zijn geslacht ter mijner kennisse is gekomen, met het voornemen om, zoo de gelegenheid zich daartoe aanbood, alle byzonderheden te dezen opzichte aan het publiek mede te deelen. Veel ijveriger echter dan my mogelijk was, heeft zich mijn vriend de Heer D. Veegens te 's Gravenhage van deze taak gekweten; zijne naauwkeurige en uitvoerige mededeeling heeft een aantal mijner opteekeningen nutteloos gemaakt, en de in deze soort van zaken belangstellenden zullen hem dankbaar zijn voor zijne vergunning om te dezer gelegenheid een uittreksel van den belangrijken brief, my over Kuser en zijn geslacht geschreven, als bylage te doen volgen. Hier en daar heb ik er tusschen [ ] een enkel toevoegsel ingemengd.
‘De Kusers (wier naam, met de naive slordigheid onzer voorvaderen, soms in dezelfde oirkonde, ook Kuiser, Kuizer en verder gevarieerd met c en y wordt geschreven)[Ondertusschen was de uitspraak altijd dezelfde en overeenkomstig ons tegenwoordig Kuser. De oude versterking der vokalen met i of y is bekend, en nog niet geheel verdwenen. Nog schrijft men hair, meir, oir. Met de u vindt men ze nog in eenige eigen namen , als Verschuir, van Buyren, en in Neptuin dat onze voorvaders Neptuun uitspraken. De verlenging der vokalen met verzwakking en aflooping van klank geschiedde met de e, en deze stond tegen de versterking met de i over. Tegenwoordig hoort men die fijnheid der uitspraak sints lang niet meer, en 't is van daar te verklaren, dat wy, alle benadering van klank verzakende, te vreden zijn met eene verdubbeling der vokalen, welke eene wijze van verlengen is in zich zelve ongerijmd en allerongeschiktst tot afbeelding van 't geluid. Doch het schrift is in vele opzichten teeken in plaats van beeld geworden. - De naam Kuiser beteekent doodslager, van kuizen, kezen, doodslaan; tegenwoordig alleen nog in de beteekenis van dollen gangbaar.] hadden Grafelijk bloed in de aderen, en hun geslacht verliest zich in dat der Foreesten.
Het vroegste blijk, dat ik van hun aanwezen vinde, is in de Batavia Illustrata, pag. 1502. Aldaar opent de lijst der Dijkgraven van Rhynland, met den volgenden: ‘1300. willem Kuyser, natuyrlyke soon van Graef Willem van Henegouwen[Men vindt zijn wapen, dat deze geboorte bevestigt, (waarvan nader) met het jaartal 1300 op de Wapenkaart der WelEd. H.H. Dijkgraven & HoogBalj., Hoogheemr., Rentmeest. en Secret. van Rhynland.].’ Deze weinige woorden, waarop nog volgt, dat in 1336 Heer Jan van Polanen (die reeds Baljuw van Rhynland en van den lande van Woerden was) Kusers opvolger werd, hebben my zeer lang opgehouden. Dat hier van den grootvader van den held van uw dichtstuk gesproken wordt, is by my om velerlei redenen zeker. [En 't blijkt ook buiten allen twijfel uit het M.S. Geslachtboek der Familie van Foreest, als men nader zien zal.] Maar wie was de Graaf, van wien hier sprake is? Het kan niemand anders wezen dan willem III. de Goede bygenaamd, in 1286 geboren, in 1305 met Johanna van Valois gehuwd, en den 6den of 7den van Zomermaand 1337 overleden. Maar vermits nu ook de stevigste Oud-Hollandsche Graaf niet wèl voor zijn achttiende jaar een bastaard kan hebben overgewonnen en deze bastaard ten minste twintig jaren oud moest zijn om als Dijkgraaf te kunnen optreden, is
het jaartal 1300 òf approximatief, òf niet juist. Het moest, volgens de zoo even medegedeelde veronderstelling, 1324 en liefst nog eenige jaren later zijn. - Terwijl ik van de andere Hollandsche Graven de lijst hunner bastaarden zeer gemakkelijk heb kunnen vinden, is my dit omtrent Graaf Willem III. tot nu toe niet gelukt. Maar hier of daar moet de lijst voorkomen. De privilegiën van Rhynland geven ook misschien eenig licht, doch zijn tot nu toe niet door my geraadpleegd. Willem Kuser, de Oude, heeft waarschijnlijk, even als Jan van Polanen, het ambt van Dijkgraaf met dat van Baljuw gecumuleerd. Vad. Historie, D. III. bl. 223. Gy leest ten minsten in Wagenaar, na eene uitweiding over den grooten invloed, dien Willem III. in het Sticht Utrecht uitoefende, woordelijk het volgende: ‘'t Slot te Hagestein aan de Lek werdt thans, van wege den Bisschop van Utrecht, bewaard door eenen Slotvoogd, Henrik genoemd, die, zijn voordeel zoekende te doen met het verloop der Hoeksche zaken, van tijd tot tijd over de Lek trok, en den Stigtschen veel overlast deed. Graaf Willem, aangezocht door den Bisschop, zond Willem Kuser, Baljuw van Rhynland, met eenige Amstellanders en Waterlanders, naar 't Stigt. Bisschop Jan (van Diest) voegde hier eenig volk by, en het land van Hagestein werd alomme plat gebrand. Dit schijnt in 't jaar 1331 gebeurd te zijn. Ook moet Graaf Willem zich van de Heerlijkheid Hagestein meester gemaakt hebben, alzoo hy dezelve in de lente des gemelden jaars, nevens eenige andere Stigtsche Heerlijkheden, aan Zweder van Viane en Hubert van Schenk verkocht en opdroeg.’ Dat de Hollandsche Graaf zijnen bastaard uitzond, om een roofzieken Slotvoogd te tuchtigen, is geheel in den geest van zijnen tijd; maar waarom aan het hoofd van Amstellanders en
Waterlanders? Had Kuser, die wel geen Dijkgraaf kon zijn, zonder goederen in Rhynland te bezitten, dus ook aan Y en Amstel goederen? Uit het vervolg zal blijken dat het geslacht der Kusers ook aldaar magt en aanzien bezeten heeft. bl. 1201.Nu sla ik de Batavia Illustrata weder op, en vind aldaar onder de optelling der Hollandsche geslachten, van welke van Leeuwen geene stamlijsten wist mede te deelen, Willem Kuser, die in 1331 tegen Hagestein optrok, vermeld, als behoorende tot de ridderlijke orde. Dat Ridderschap was, zoo ik meen, niet erfelijk, en het moet dus niet bevreemden, dat de zoon van dezen Willem Kuser in 't eerst enkel als Schildknaap verschijnt, en eerst later door Hertog Albrecht, onder meer andere gunstbewijzen, op zijne beurt tot Ridder geslagen werd. De zoon eens Ridders was in den regel Schildknaap en de nakomelingen van den bastaard zouden dit buitendien geweest zijn, omdat er Grafelijk bloed in hunne aderen speelde. D.I bl. 116.In Wagenaar, Amsterdam, lees ik, dat omtrent den jare 1330 tusschen de steden Amsterdam en Deventer twist ontstond over de betaling van zekeren tol, dat daaruit dadelijkheden voortkwamen, die door eene soort van bestand werden gestuit, en dat dit bestand voor twee jaren verlengd werd op eene aanzegging door ‘Willem de Cuser, Baljuw van Amstelland en Waterland,’ den 21sten December 1336, gedaan. Hoogstwaarschijnlijk vinden wy hier den reeds genoemden bastaard van Willem den Goede weder. Maar hoe komt het dan, dat hy van Dijkgraaf en Baljuw van Rhynland, Baljuw van Amstelland is geworden? Van nu af verdwijnt Willem Kuser de Oude, en na eenen aanmerkelijken tusschentijd verschijnt zijn zoon
koenraad kuser op het tooneel. Ofschoon zulks niet stellig te bewijzen valt, vermoed ik, dat deze laatste omstreeks den jare 1330 geboren, en dus zeer oud geworden is, terwijl ik het daarvoor houde dat Willem Kuser, de Oude, vroegtijdig tot zijne vaderen is vergaderd. Ik heb verder eenig vermoeden, dat Koenraad Kuser, tot mannelijke jaren gekomen, zijnen vader in het Baljuwschap van Amstelland en Waterland is opgevolgd; want in zekere oirkonde, door Graaf Willem V. den 20sten November 1357 uitgevaardigd, wordt als zoodanig zekere Coenen genoemd. van Mieris, Groot Charterboek, III. 36. Gaarne beken ik echter, dat het gewaagd is, op zulk eenen enkelen voornaam gissingen te bouwen, en ik laat dit punt dus, zoo lang geen nader licht voor my aanbreekt, varen. [Dat Koenraad omtrent 1348 tot mannelijke jaren was gekomen, schijnt uit Wagenaar te blijken, Vad. Hist. III. p. 274. daar hy vermeldt dat in den strijd van Willem V. tegen den Bisschop van Utrecht (Jan van Arkel) Gijsbrecht van Langerak, Herbert van Liesveld en Koenraad van Oosterwijk den Bisschop in handen vielen. Maar kon hy toen reeds dezen naam voeren?] Hertog Albrecht van Beyeren, toen nog Ruwaard, bekrachtigt, voor zijnen krankzinnigen broeder Willem V. op den 9 December 1366 de overdragt door Heer Jan van Egmond, van Mieris, l.c. III. 204. uit het beroemde geslacht van dien naam (gest. 1369), van de riddermatige hofstede Oosterwijk aan Koenraad Kuser. De laatste wordt in het stuk genoemd Coenen, Williaems Cusers Zoen, met de byvoeging onsen neve; eene eer, die niets met de geboorte der Kusers gemeen heeft, maar toch, mijns erachtens, de gunst bewijst, waarin zy toen reeds by Hertog Albrecht stonden. Het overgedragen goed wordt beschreven te zijn: Heer Jan van Egmonds Hofstede ter Wyc,
gelegen in den Ambachte van Beverwyc, met 14 vierdeelen zaadland en 14 koeweiden, die om de hofstede liggen. De Hertog draagt dit goed op aan Koenraad Kuser en zijne nakomelingen als een erfleen. Ik behoef u echter wel niet te zeggen, dat dit goed, na Koenraads overlijden, dadelijk in het geslacht der Van Foreesten is overgegaan, en de zetel van dezen is geworden [naar wie 't ook sedert ‘'t Huis te Foreest’ heette], tot dat zy het verkocht hebben. Het slot Oosterwijk, welks naam blijkbaar van deszelfs ligging by de Beverwijk[D. i. Beêvaartwijk; want het stadswapen met ‘bevers’ is een sprekend wapen, zonder terugzicht op de afkomst. (Gelijk Hoorn dus genoemd wordt naar den hoek waarop 't ligt, en een posthoorn in 't stadswapen voert.) Waarschijnlijk dus uit hoofde der Beêvaartgangers ter zake van de Heilige Agneta.] afstamt, lag tusschen de Huizen Merenstein en Adrichem, [gelijk op de kaart in het Zegepralend Kennemerland te zien is, maar toen dat boek uitkwam was 't lang verwoest]. Of de Heeren van Egmond [die Merenstein bezaten] het hebben laten bouwen is my onbekend. Misschien was het vroeger wel een der grenssloten, die Kennemerland tegen de invallen der Westfriezen moesten bewaren. Nadat het tegen het einde der zestiende Eeuw door Maria van Duivenvoorde, [die het was aangekomen door haar moeder Machteld van Foreest, Jan van Foreests dochter] met eenen van Lennip gehuwd, was verkocht, moet het spoedig in verval zijn geraakt[Jan van Foreest, overleden in 't jaar 1554, nalatende drie dochters, Maria, Cornelia en Magdalena (Machteld). De laatste huwde ten jare van haar vaders dood met Jan van Ruven, en hertrouwde drie jaren daarna met Jan van Duivenvoorde, die, als het Geslachtboek van Foreest zegt, Kaptein en Burgemeester is geweest gedurende het beleg van Haarlem, en in 1573 in de gevangenis overleden. Hy liet een zoon Jan na, in 1580 in Friesland overleden, en eene dochter Maria, gehuwd met Jorriaan van Lennep uit Gelderland. Deze verkocht het huis Oosterwijk, dat in de Spaansche oorlog waarschijnlijk geleden had.]. Samuel Ampzing, die
zijnen Lof van Haarlem in 1628 in 't licht gaf, zingt er van:
‘Gaa dan na 't heel vervallen Huis Oosterwijk, Foreest, en Merenstein, van allen Niet slechtelijk voorzien.’
Eene eeuw later, zegt C. Bruins in zijne ‘Noordhollandsche Arcadia,’ van 't huis sprekende, dat Foreest of Oosterwijk wordt geheeten:
Die brokken zijn reeds door den tijd gesleten, En hunne glans verdwenen in 't verschiet; Zy vallen en vergaan allengs tot niet. (l.c. ed. 1732, bl. 417.)
Er waren dus toen nog bouwvallen van dit adelijk slot, waarop gy zeker naauwe betrekking hebt, over. Schatkamer van Nederl. Oudheden, p.91.[Lud. Smids zag het 10 Mei 1705. ‘Toen was het,’ zegt hy, ‘een romp van vier muren, binnen een grachtje op een kleine hoogte; zijnde de zijmuren der regterhand de grootste brok.’ Hy verzekert ‘dat het in de Holl. tweespalt is onder den voet geraakt.’ Nog heden ten dage staat er een klein brok muurs van de woning der Egmonden, Kusers en Foreesten op het erf van den Landman Meyerink. Eene teekening der Ridderhofstede in haar laatsten toestand berust onder de papieren der Familie.] Koenraad Kuser werd sedert dien tijd gewoonlijk van
Oosterwijk geheten. [In het Geslachtboek van Van Foreest meermalen eenvoudig Coen van Oosterwijck.] Hy had ook elders goederen in Holland. van Mieris, G.C.B. III. bl. 152.Hertog Albrecht gaf den 2den July 1363 het Hofland te Ouder-Amstel met 60 morgen land aan Willem van Croonenburg, welk Hofland toen òf toebehoorde òf grensde aan het land van Coen, den zoon van Kuser. In 1383 verkreeg Koenraad Kuser van Margaretha, de gemalin van Hertog Albrecht, nog andere landerijen, die aan het Spaarne lagen, [de heerlijkheid van Sloterbosch namelijk; Geslachtb. van V.F.] (Zie de Verlei-brief in de Riemer, Beschrijving van 's Gravenhage, I. 201.) [Voeg hierby: ‘Hertog Albert van Beyeren geeft tot een onsterfelick leen op Maendag naer onse Vrouwedag nativitatis 1390 aen syn lieven neef en getrouwen raet Coen van Oosterwijk die Ambagten van Slooten ende van Osdorp met allen haare toebehooren, item dat 1/3 van een tiende te Schooten met zijn toebehooren, daar die heer van Breederode die ander 2 deelen af heeft, item 5 hoet rogge 's jaars enz., item den berg tot Oude Aemstel met 5 morgen lants luttel min ofte meer, item tot een cleyn coorentiende ende een smal tiende.. - Noch geeft denselve als bove tot Haerlem op den 25sten dag in Mey in 't jaer onses Heere 1399 het Ambagt van Amstelveen met de reden, visscheryen enz., mits dat dit by overlijden van Coen voorn. geen wettige soon nalaatende sal erven: Herpert Jans van Foreest, en by sijn aflijvigheyt sender als voore op Jans oudste soon van Foreest.’ Geslachtb. van V.F.] van Mieris, G.C.B. III. bl. 698.Van elders blijkt het my, dat Koenraad Kuser gehuwd is geweest met Clemensie, vrouwe van Slooten. Ik heb alle reden om te vermoeden, dat hy by deze gade slechts twee kinderen geteeld, of ten minste tot volwassen leeftijd gebragt heeft, namelijk Willem Kuser, den held van
uw dichtstuk, en Ida Kuser. Een vermoeden, dat Willem Kuser, de jongere, gehuwd is geweest, is naderhand by my weder vervallen. Integendeel geloof ik, dat hy in niet zeer hoogen ouderdom onder de moorddolken van de vijanden der schoone Aleide gesneuveld is. Ida Kuser is, in welk jaar weet ik nog niet, gehuwd met Jan [Herperts-Zoon] van Foreest, en is erfgenaam geworden van haars vaders goederen. [Ook het meergenoemde Geslachtboek geeft het jaartal niet op; maar bevestigt het gevoelen dat Koenraad Kuser geen kinderen had buiten Willem en Ida[Ook blijkt dit uit de door my, Kuser pag. 71, aangehaalde Chronijk van Hollant, Zeelant ende Vrieslant, Cap. 39, waar onder ‘de Edelen gheboortighe mannen, die doe in Hollant waren, slechts twee Kusers worden genoemd en wel: Coenraet Kuyser, en Willem Kuyser zijn soon, die, enz.]. Immers lees ik, dat Idaas jongste zoon, Willem van Foreest (de twee anderen heetten Herpert en Adriaan) ‘naar zijn moeders grootvader (dus is de geslachtrekening van den Heer Veegens richtig) werd genoemd Willem Cuser van Foreest,’ om geen andere reden zeker dan om den naam voor uitsterven te behoeden. ‘Hertog Aelbregt verleyt Willem van Foreest (aldaer genaemt Cuser, naer sijn moeders grootvader) op den 12den December 1397 met 19 maden lants buytendycks by Swaaredam gelegen, mitsgaders met 1/3 in een Coorntienden buyten de stede van Delft, daer Heer Philips van Polanen 1/3 en Jan Heerman 1/3 af heeft, en dat om meenige trouwe dienst en maegschap van Heer Coen van Oosterwyck, sijns moeders vader, onder conditie dat dit leen by aflijvigheyt sonder oir soude devolveeren op sijn oudsten broeder Herpert van Foreest. Margareta van Cleve, Gravinne van Hollant, verleyt
denselve Willem met het voorschreeve leen 10 Juny 1407, 't welk vermits sijn Ed. overlijden sonder oir 1410 op St. Maria Magdalena avont, is geconfirmeert op sijn Broeder Herpert van F. Jansz.’Geslachtb. v. Foreest. Men ziet ook hier weêr dat de Graaf alle middelen heeft aangegrepen om den dood van Willem K. by zijn vader en zuster eenigzins te verzoeten, en tevens blijkt het hoe de poging om den naam van Cuser in wezen te houden droevig is verijdeld. Willem Kuser van Foreest is gehuwd geweest met Elizabeth van Alkemade.] Dat Koenraad K., even als zijn vader, een moedig krijgsman was schijnt zeker; maar iets stelligs vind ik wegens zijne togten niet, dan na den dood van zijn zoon. Ongetwijfeld genoot hij in den lande een zeker aanzien. Tot nu toe heb ik den naam van Willem K., uwen held, niet vroeger aangetroffen, dan onder de door de Riemer medegedeelde oirkonde van 1383. Hertog Albrecht zelf was mede bij het sluiten daarvan tegenwoordig, en dit zou my bijna doen overhellen tot het gevoelen, dat Willem toen reeds Hofmeester, of, zoo als dit in de oude Handvesten heet, meesterknaap by den Hertog was. De zwakke, nietige Albrecht, die zich zijn leven lang door zijne vrouwen, bijzitten en gunstelingen liet regeren, verloor op den 14den dag van de Vasten in 1386 zijne vrome Gade Margaretha van Brigen, en kort daarna nam by de schoone Aleide van Poelgeest, met wie hy misschien reeds vroeger in naauwe betrekking stond, aan zijn Hof. Wagenaar, die met de tijdrekening omtrent Albrecht in de war was, en Bilderdijk, die hem hierin naschrijft, zeggen, dat Albrecht in de kracht zijns levens weduwnaar was geworden. Albrecht was intusschen by den dood zijner eerste vrouw 56 jaren oud,
en was een zestiger, toen hy met het bekoorlijke meisje jongelings-dwaasheden bedreef. Nalez. op Wagenaar, I. 186.Van Wijn heeft in eene onuitgegeven Grafelijke rekening eene dier dwaasheden opgedolven. Daarin staat te lezen dat Hertog Albrecht, op Vastenavond 1390, in eene schuit met Jonkvrouw Aleid ende ander gesellen, in den Haagschen vijver (toen nog, gelijk de geheele omtrek van het Grafelijk slot, ommuurd) speelden. Het is wel niet zeer gewaagd, te veronderstellen, dat Willem K. onder die gezellen behoorde. Dat hy in 1390 reeds Hofmeester by den Hertog was blijkt onder anderen uit eene oorkonde van 7 Sept. 1390,van Mieris, G.C.B. III. 568. waarby de Hertog, tegen eene erfpacht van elf ponden 's jaars, zijne visschery tusschen Schie (Overschie) en de oude vrijheid van Delft, en in de nieuwe vaart (van Delft tot de Maas) afstond aan Dirk van Poelgeest, Baljuw van Medemblik, en aan Willem Kuser, zijnen ('s Hertogen) Meesterknaap, ‘om menighen trouwen dienst die si ons ghedaen hebben ende noch doen sullen.’ Deze hier begunstigde Dirk van P. was, ni fallor, de Grootvader van Aleide. [Juist! Zie de Aant. poelgeest.) 't Geheele geslacht dezer schoone werd door den minzieken Hertog met gunsten overhoopt. My is ergens gebleken, dat haar Vader Jan van P. Rentmeester van Zuidholland was. By eenen brief van 14 Jan. 1389/1390Hier zit weder de gewone moeijelijkheid omtrent het gebruik der dubbele tijdrekening. Hertog Albrecht schreef altijd naar den hofstijl, die het jaar met Paaschen deed beginnen. De buitendien reeds zoo moeijelijke taak, om in den Grafelijken tijd dagteekeningen op te delven, wordt daardoor nog veel bezwarender. ontvangt hy van den Hertog Oost- en Westhellevoet, zoo het schijnt met eene aanzienlijke uitgestrektheid aan korenland, ‘om trouwe die hy ons gedaen heeft en nog doen sal.’van Mieris, G.C.B. III. 546. Deze Jan van P. was volgens
Bat. Ill. bl. 745 geen Ridder, maar slechts Schildknaap [zoo ook by Plemper], en had dus toen een minder adelijken rang dan Dirk Beets[Maar de in 1343 voorkomende Dirk de Beets was ook slechts Schildknaap. De zoon van dezen Ridder Dirk, die Pieter Beets (ook de Beets) genoemd wordt, behoorde tot het heir, waarmeê Albrecht in 1396 in Friesland landde. Hy stelde hem aan 't hoofd der Amstellanders en Kennemers, die hy de Lauwers opzond, en tegen Oosthuizen. In 1419 was weder een Ridder Dirk B. tegenwoordig by de pais tusschen Jacoba van Beieren en Hertog Jan gesloten. Men vindt ondertusschen den naam by Goudhoeven op de lijst der adelijke Geslachten, die in 1620 reeds verstorven waren of door de anderen niet meer erkend werden; een lot, dat de Beetsen in Kennemerland met de Coulsters, Binkhorsten, Haarlems, Castricums, en vele anderen deelden. Hoe Rombout Hoogerbeets tot de familie behoorde is onlangs door Prof. Siegenbeek opgehaald (Redev. en Verhand. Dordrecht 1836). De Dichter Mr. Johan Beets, wiens verdiensten ZHG. in 't licht zet, was hoogstwaarschijnlijk de Grootvader van mijn Overgrootvader (Johan), wiens vader Claas heette, welke naam in deze familie altijd met die van Johan beurt heeft gehouden. Wapen: Parti. Le premier sable à 3 lozanges d'argent, 1 & 2. Le second coupé d'azur à 2 bâtons posés en sautoir, surmonté d'une hure, en gueules à 3 couronnes.... Cimier: Un bras nu tenant une couronne. Ik vind op een kaart van Hoogheemraden van Rhynland een ander wapen, namelijk: Gueules à une bande d'argent accompagnée de 6 fleurs de lis d'argent rangées en bordure. Dit schijnt van eene Brabandsche familie. Beets; een groot dorp in Noordholland naby Schardam aan den ring der Beemster uitgedijkt.] [Ridder], die in denzelfden adem door van Leeuwen genoemd wordtMy is ergens gebleken dat Jan van P. gehuwd is geweest met Belia, de dochter van Gerrit van Oisterwyc. Een geruimen tijd heb ik in het denkbeeld verkeerd, dat hy dus aan de Kusers verwant was; maar later is my gebleken, dat deze Gerrit v.O. tot een geheel ander geslacht behoorde, en wel tot een zijtak der van Arkels, welke zijtak ergens in den lande van Arkel deszelfs slot Oisterwyc bezat. [Koenraad van Oosterwijk, in den strijd tegen Jan van Arkel gevangen genomen (zie p. 95), was aldus misschien geen telg uit dezen stam, maar nit geheel een anderen.].
Maar niet de Grootvader en Vader alleen; de beminnelijke boel zelve werd met giften overhoopt. Zy verkreeg onder anderen van Hertog Albrecht 300 franken 's jaars uit de inkomsten van Kennemerland, en eene huizing en hofstede te 's Gravenhage, terwijl zy er nog daarenboven een te Leyden gekocht had. Zy was slim genoeg om zorg te dragen van door Willem van Oostervant deze giften, by een handvest van 16 Maart 1389/1390, te laten verwaarborgen.van Mieris, G.C.B. III. 552. Bij van Wijn l.l. vindt men dat zy in Hooimaand 1391 een paard van den Hertog verkreeg, en hem op den 13den dier maand op eene reis naar Henegouwen verzelde. - De dood van Jan van Poelgeest [in 1365 doodelijk, maar niet ten doode gekwetst] wordt in 1390 opgegeven.Zie Kuser, p. 70. Het is van elders bekend, dat Aleide van P. haren invloed bezigde, om de Kabelj. Edelen by Hertog A. in gunst te brengen. Ik vermoed dat de Kusers deze Staatsparty waren toegedaan, en wel op grond van eene verklaring van 17 Oct. 1391, die door een aantal Hollandsche en Zeeuwsche Edelen met Otto van Arkel aan het hoofd gedaan is.van Mieris, G.C.B. III. 582. Onder die Edelen vind ik, behalve van Arkel, verscheidene andere Kabeljaauwschgezinden en voorts ook Coen Cuser van Oesterwyc en Willem Cuser, Coen Cusers soon. Terwijl de lijst der onderteekenaren met eenige Ridderen begint, worden de beide Kusers uitdrukkelijk onder de knapen genoemd. De verklaring zelve houdt in, dat de Edelen, als by Hertog A. in kwaad verdenken gebracht, dat zy hem of zijnen zoon, Willem v.O., kwaad wilden, hem trouw en hulpe beloven tegen iedereen. Weinige maanden later werden Aleide van P. en Willem K. by nacht op den grond (het voorplein) van 's Graven paleis, dat is, op 't buitenhof by de gevangenpoort,
doodgeslagen. Het getuigt niet voor de naauwgezetheid van Bilderdijk, dat hy dezen moord op den 21sten Sept. 1390 brengt. Aan Wagenaar was die dwaling te vergeven, omdat hy de hierboven vermelde handvesten van 1391, waarin Willem K. voorkomt, en de door van Wijn opgedolven byzonderheid van Aleides reis naar Henegouwen, mede in 1391, niet kende. [Ondertusschen deelt het Geslachtb. van V.F. die dwaling en moet daartoe door een of andere Chronijk gebracht zijn. Ik lees: ‘Deze Jonkvrouw Ida hadde een Broeder genaemt enz. dewelke in het beschermen enz. werd doodgeslagen Ao. 1390 in de nacht van St. Mauricius; uit welcke Moorderye - zo de Chronijck schrijft - wederom in Hollant een dagelijks oproer ontstont.’ G.C.B. III. 600.Van Mieris stelt den moord op St. Maur: (22 Sept.) 1392, en grondt zich daarby ook op Goudhoevens Kronijk. 36ste Capittel.Plemper geeft ook dat jaargetal. Insgelijks, de Chronijk van Holland, Zeeland en Friesland heeft richtig 1392; en 't was waarschijnlijk doordien B. en W. my 't jaar 1390 in 't hoofd hadden gebracht, dat ik dit by de uitgave van mijn Kuser verkeerdelijk afschreef.]Zie p. 89. Door den moord zoo veel later te stellen wordt het verklaarbaarder, dat de vreesselijke bloedwraak daarover eerst in 1393 heeft plaats gehad. Hoe kan men veronderstellen dat Koenraad Kuser, die, ofschoon reeds een bejaard man, toen snuivende van wraakzucht het land doortrok en slot by slot der aan den moord schuldige edellieden verwoestte, over het smartelijk verlies van zijnen eenigen zoon drie jaren heeft laten voorbygaan, alvorens verlof tot wraak van den zwakken en zeer zeker op de moordenaars hoogst verbitterden Albrecht af te dwingen? G.C.B. III. 600.Den 18den October gebiedt Albrecht eenen nieuwen
Heemraad van Delfland te kiezen, in plaats van Heer Filips van Polanen, wegens Willem Cusers dood balling buiten 's lands, ‘mit recht ende mit vonnissen.’ De moordenaars waren woensdag na Pinksteren 1393 te 's Hage ballingen verklaard. l.l. 601.Den 11den November 1393 gebiedt A. aan Schout, Schepenen en Raden van Leiden, om met de Baljuwen van Rhynland op te trekken tegen Kusers moordenaars, en alles op hunne sloten neêr te houwen en te verbranden, zoodat geen steen op den anderen blijft staan. Soortgelijke brieven werden aan andere Baljuwen afgezonden, soms met de aanwijzing der huizen die men moest verwoesten. Op woensdag na St. Maarten 1393 ontving Coen Cuser van O. van den Hertog eene stellige magtigingOpmerkelijk is het dat de gekrenkte Vader in den brief door A. genoemd wordt ‘onsen Neve en Meesterknaep van onsen herberghe.’ Hy was dus zijn verslagen zoon in het Hofmeesterschap opgevolgd! - Toen A. in 1398 den oorlog tegen de Friezen ondernam, moest Heer Coen van Oisterwyc tien gewapenden geven (1. l. 673). Wat meer zegt, hy deed, ofschoon zeker reeds vrij bejaard, den togt mede. Hy werd met twee andere ‘meester Ridderen’ en eenige knapen belast met den aankoop van ‘schottelen, azijn, eijer, mostert, turf en zout!’ Hy scheen dus, hoewel tot hooger aanzien geklommen, nog Hofmeester (l.c. 682). [Zie de lijst der moordenaars en medeplichtigen, G.C.B. III. 602.] tot de uitoefening van dit werk van wraak. Hy bleef niet in gebreke. [De door smart en wrok verschrikkelijke grijsaart vliegt van slot tot slot, en van de eene wraak naar de andere; belegert, moordt, brandt, sloopt en vernielt. Achtereenvolgends verdelgt zijne woede Paddenpoel, Hodenpijl, Warmond, Duivenvoorde, Heemstede, Zandhorst. Maar de hoofdaanleggers zijn op het huis te Altena verstoken. Derwaart ijlt hy, de Merwe langs, en verschrikt zien de lage sluip-moordenaren al den jeugdigen moed van hun slachtoffer den beleedigden vader ten ooge uitschitteren. De angst huns gewetens en de schrik voor de rechtvaardige zaak des grijsaarts doet hen het slot by verdrag overgeven, maar terwijl zijn eer hem noopt hen, met behoud van lijf en goed en onder vrij geleide, te doen aftrekken, koelt hy zijn gemoed aan het huis, dat hem een Moordenaarshol moest schijnen en raseert het tot den grond; alleen spaart hy de twee groote torens; zy mochten daar staan blijven als gedenkteekenen van de wraak eens Vaders. De Hertog van Oostervant vlugt naar het Hof van Frankrijk (Karel VI.); ook daar vervolgt hem zijn noodlot. Een Heraut van wapenen maakt hem voor 't volle Hof aan 's Konings tafel te schandeEen Heraut van Wapenen doorsneed aan 's Konings tafel het laken dat voor Oostervant lag gespreid, met het verwijt, dat hy de plaats onteerde en schild noch wapen voeren kon, daar hy zijn in Friesland gesneuvelden oudoom nòg niet gewroken had.. Hy had zijn Oudooms dood nog niet gewroken. Alweder wraak! Hy wist wat bloedwraak was. Hy ijlt naar Holland, smeekt zijn Vader tegen de Friezen te mogen optrekken, en verzoent zich eindelijk met hem;van Mieris, G.C.B. III. 617. ja zelfs bleef hy gedeeltelijk voor zijne medeplichtigen borgvan Mieris, G.C.B. III. 607.Nog den 27sten Maart 1394 werden de Baljuw van Woerden en Schout, Schepenen enz. van Oudewater aangeschreven om de ballingen wegens Willem Kusers dood te vervolgen en dood of levend te vangen. Zelfs in den vreemde vervolgde Albrechts woede de ballingen, blijkens eene door hem uitgelokte verklaring van Johanna, Hertogin van Braband, dat zy de moordenaars zou doen aanhouden. In dit stuk wordt niet enkel van W.K. maar ook van Joffer A.v.P. gesproken. De naam dezer Joffer was om ligt te bevroeden redenen, in de stukken, die in Holland dienen moesten, niet te vinden. [ald. 618.]Het stuk is van 12 Nov. 1394..]
Ik geloof dat nog nergens de opmerking gemaakt is, hoe aanmerkelijk het aanzien van Koenraad Kuser na den moord van zijnen zoon klom. Op een handvest van Jan. 1394 komt hy voor 't eerst voor, als een van 's Graven gewone raden [maar hy heet toch reeds in den verleibrief van 1390 ‘lieve neef en trouwe raet’],Geslachtb. v. Foreest. die met hem zulke handvesten teekenen, en voorts in de volgende jaren zeer vaak. Tusschen dien dag en den 24sten Maart 1394 moet hy door Albrecht tot Ridder of Baron verheven zijn. Voortaan heet hy ook Heer Koenraad, en wordt in de Latijnsche onderschriften onder de Baronnen gesteld. Omtrent Paschen 1394 werd hy Houtvester van Holland, en bekleedde drie jaren lang de betrekking die later aan Jacoba van Beyeren [dochter diens Graven, door wiens dolken zijn zoon gevallen was] ten deele viel. In 1399 [zie boven] wordt hy nog met de Ambachtheerlijkheid van Amstelveen beleend. - In de handvesten van Amsterdam vindt men eene soort van publicatie van Coen van Oosterwijk, Ridder, wegens het schouwen der dijken in zijne heerlijkheid, gedagt. 6 Febr. 1401. Vaderlandsche Chronijk. Leydenen Amsterdam, 1784. bl. 589.Sedert evenwel schijnt Koenraad nog geheel by Albrecht in ongenade gevallen, zoo zelfs, dat hy in hechtenis genomen en op zijne zeer aanzienlijke goederen van de zijde des Hertogs beslag gelegd werd. Wat Koenraad misdreven had, blijkt nergens; misschien heeft Willem van Oostervant, die de Kuser's wel vijandig moest zijn, van den zwakken aard zijns twee-en-zeventigjarigen vaders misbruik makende, den ouden gunsteling den voet geligt. De gevangenschap van Koenraad Kuser heeft in den jare 1402 plaats gehad; doch by een handvest van 11 January 1403 verleende hem de Hertog, die, zoo als hy zelf zegt, aan Koenraad Kuser en aan diens huis-vrouw Clemensie, vrouwe van Slooten, vroeger vele gunsten had bewezen, beiden vergiffenis en kwijtschelding van alle zoodanige breuken en misdaden, als zy tegen hem en zijne heerlijkheid begaan mogten hebben; herstelt hen in het vry genot van alle hunne goederen, zoo die zy ter leen hadden, als die zy in vrijen eigendom bezaten; en maakt, waarschijnlijk ter vergoeding van de bezwarende voorwaarden, waaronder die herstelling plaats had, het goed tot Slikerbinch (?), dat zy van den Hertog ter leen hadden, tot een vry eigen goed. Koenraad schijnt echter deze verzoening met groote opofferingen te hebben moeten koopen; en ik geloof zelfs dat hy, de Ambachtsheerlijkheid Amstelveen den 18den January 1403 aan Albrechts gemalin overdragende en verkoopende, zulks niet dan gedwongen deed;van Mieris, G.C.B. III. 774. Vad. Chronijk, bl. 591. te meer daar ik vinde, dat hij, Koenraad, op denzelfden dag (en dus slechts zeven dagen na de verzoening) mede aan Margaretha heeft overgedragen het Ambacht van Slooten en van Oostdorp, met de visscherijen enz., het Huis te Schooten met de daartoe behoorende landen, en het vroongors, gelegen aan 's Gravendam; alle welke goederen tot dien tijd toe aan ‘Heer Coen van Oosterwijk, Ridder,’ toebehoorden. Men kent deze Margaretha van Kleef, als tweede gemalin van Albrecht, met wie hy in de lente van 1394 en dus kort na Aleides dood [en nog onverzoend met hare moordenaars! - de toorn duurt langer dan de liefde!] gehuwd wasZie van Wijn, Nalezingen, I. 389. Wagenaar dwaalde dus ook met dit huwelijk in 1391 te stellen., en die by 't overlijden des Hertogs zijnen met schulden bezwaarden boedel met den voet stiet. Koenraad schijnt vroeger by haar in blakende gunst te hebben gestaan, en ik heb ergens
gevonden dat hy ten haren behoeve en voor hare rekening het Huis te Kleef by Haarlem heeft doen bouwen. Anderen houden den tijd der stichting van dat slot voor onzeker. [Gewoonlijk wordt zy toegeschreven aan Willem Kuser, en dat wel circa 1392.]Handv. Cron. f. 123. Willem Kuser, de Bastaard, verschijnt het eerst in onze Geschiedenis als belegeraar van Hagestein by Vianen (1331);Albrecht, obiit 13 Dec. 1404. Koenraad, zijn zoon, volgde in 1405 Willem VI. by de belegering van dat slot, hetwelk toen door het pas uitgevonden geschut werd geteisterd. Met hem was daar Jan van Foreest, op wien de goederen van den ouden krijgshaftigen en wraakzuchtigen Ridder na zijn dood, waarvan ik het jaartal nog niet ken, overgingen. Maar toen op den 14den September 1413 Herpert van Foreest tegenwoordig was by den Zoen over den moord van willem kuser rustte diens Vader, Zuster en Schoonbroeder [en zelfs de jongeling die den naam der kusers had moeten ophouden] reeds allen in het graf[‘Hertog Willem van Beyeren maakt in den Hage opten Heylige Kruysdagen ex altario Ao 1413 de soen tusse Gerrit van Poelgeest, Adriaen van Col, Herpert van Foreest Jansz. en Gerrit van Sparwoude met hare magen ende vrienden aan de eene zijde, ende Dirk de Bloote, Philips de Bloote met hare magen ende vrienden aan de andere zijde, voerende van sulcke dootslage als Dirk de Bloote ende Hugo de Bloote met haare magen ende vrienden gedaan hebben aan Jonckvrouwe Aliden, Jans dochter van Poelgeest, en Willem Kuser.’ Geslachtb. van F. - Hugo de Bloote heeft by die gelegenheid in het openbaar, naar landsgebruik, een voetval moeten doen. Zie Wagenaar, l.l.].’
Geslachtlijst van Kuser. Maken wy nu het resultaat aller dezer nasporingen op, zoo hebben wy van kuser de volgende Genealogie, die alleen wat de tijdrekening betreft gebrekkig is.
willem kuser. (natus 1304 (?),denatus 1350 (?)) gewan by ........?
koenraad (natus 1330 (?),denatus 1406 (?).) gewan by Clemensie van Sloten.
willem. ida. natus 1365 (?), denatus 1392.nata(?) denata(?) gewan by jan van foreest
Herpert, Adriaan, Willem Kuser, denatus 1410. gehuwd met Elizabeth van Alkemade: gestorven zonder oir.
Wapen van Kuser. D'Or, quartelé, à quatre lions; 1 et 4 de sable; 2 et 3 de gueules. Posé en canton. Men ziet dat dit het wapen van Henegouwen en Holland gequarteleerd en met eene breuke van bastaardy is. Immers het plaatsen van het wapen en canton bewijst de onwettige geboorte, zoo goed als de bande of het filet de bâtardise‘Daer nochtans dat voeren en canton, van oude tijden, mede is een gheässureerde beteeckeninge van onwetlyck voortkomen; insgelijcks is 't stellen en party coupé, escusson sur le tout, enz. De Nederlantsche Herault, p. 338.. Zóó vind ik het wapen onder de kwartieren der familie van Foreest, en ook aldus op eene kaart getiteld: Wapenen der steden en oud-adelijke geslachten in de Machtige Republyke van Holland en Westfriesland, door M.S. (Matth. Smallegang?)
gedrukt te Amsterdam by Gerard Valk in 't laatst der I7de eeuw; eindelijk ook op de Wapenkaart van Dijkgraven en Hoogbaljuwen, enz. van Rhynland (Willem Kuser 1300). - Maar op het byvoegsel tot de kaart van M.S. vind ik een volkomen wapen van Cuser van Oosterwijk, en wel aldus: Coupé. Le premier: Cuser: d'or à quatre leopards leonnés, quartelé, 1 & 4 de gueules, 2 & 3 de sable. Le second.........? d'azur à une flamme d'or mouvant de la pointe. - Men ziet hier in het wapen van Cuser, behalve dat het geverifieerd voorkomt, nog twee afwijkingen: vooreerst dat men in plaats van leeuwen luipaarden aantreft; en ten andere dat de keelen leeuwen (Holland) en niet die van sabel (Henegouwen) de eereplaats hebben. Aldus voerden de Graven zelve hun wapen, en het stond in verband met de breuke van bastaardy dit te veranderen. De luipaarden in plaats van leeuwen hebben wy zeer zeker aan onnaauwkeurigheid te danken, niet zeldzaam in een land waar men altijd weinig van heraldie geweten en slecht geblasonneerd heeft.
Ten slotte. By het overzien dezer wijdloopige Bylage schaam ik my over mijne vermetelheid, die my by de Lezers van ‘Guy de Vlaming’ zoo veel belangstelling heeft doen veronderstellen in de berichten omtrent een geslacht, dat zijne voornaamste belangrijkheid ontleent aan eenige honderden verzen, door my op rekening van willem kuser geschreven. Ik hoop dat hun juist zoo veel geduld zal zijn overgeschoten, om mijne dankbetuiging voor al 't reeds betoonde vriendelijk op te nemen.
Naschrift. Ik ontfing, onder het afdrukken dezes, nog de volgende mededeeling van mijn vriend, den Heer Veegens:
‘Nog heb ik in Willink's Amstellandsche Arkadia, uitgaaf van 1773, Deel II. bl. 200, een lijst der Baljuwen van Amstelland gevonden, en had ik by het inzien daarvan het genoegen een paar mijner gissingen over den ouderen Willem K. bevestigd te zien, en tevens, dat Koenraad Kuser by herhaling en wel eerst door Willem V. en naderhand door Hertog Albrecht tot het niet onbelangrijke Baljuwschap over eene landstreek, waarvan de Heeren van Amstel tot het einde der dertiende Eeuw meesters waren geweest, is verheven. Een afschrift van het begin dezer lijst zal hier volstaan:
Willem Kuser, Bastert des Graven van Hollandt Ao. 1333 Florens van der Bonkhorst Ao. 1345 Gerrit de Boelen Ao. 1354 Koen Kusers van Oosterwijk, neef van den Grave Ao. 1354 Gijsbert van IJsselsteyn, Ridder Ao. 1358 Koen van Oosterwijk Willemszoon Ao. 1367 Jan van den Poele Ao. 1388
Cookies on Poetry Cove