XIV.
Een pauze volgde. Machteld schreide. Haar raadselachtige Echtgenoot Trad naar de deur der zaal en sloot Die op haar grendel; hy verbeidde Een oogenblik op afstand; kwam Tot haar terug met groote schreden, En plaatste zich by 't venster; nam 't Gordijn en rukte 't naar beneden.
Nu stroomde 't licht der volle maan De duisternis dier zale binnen,
En Machteld zag hare egade aan: Hoe schokte de aanblik haar de zinnen! Dat trillend, scheemrend, zieklijk licht Viel helder op zijn aangezicht, En spreidde om 't hoofd een bleeke glans, Gelijk eens Heilgen stralenkrans. Niet heilig scheen dit aangezicht En aaklig blonk het dus verlicht. Hy was vermagerd sints den dag, Dat hem voor 't laatst zijn gade zag: De bleeke wang was weggeslonken, Het helder oog scheen ingezonken, En wild en schriklijk zag hy rond; Ja, daar was wanhoop in zijn blik, Op 't fronsend voorhoofd angst en schrik, En hardheid om zijn mond. Wild vielen baard en lokken neêr; Hun koolzwart, glinstrende in dat licht, Gaf aan dat uitgevast gezicht Verschrikkingen te meer. - Dus zag hem Machteld voor zich staan, En dus verlichtte hem de maan. -
Zy, bleef in 't donker; want de straal,
Die schuins naar binnendrong, Verlichtte alleen maar heur gemaal, En stuitte waar, aan 't eind der zaal, Een beeltnis aan de wanden hong. Het was zijn vaders beeltnis: hy Was jong nog op die schildery; Bloothoofds, in 't harnas stond hy daar, Een rustig man van dertig jaar; En vriendlijk werd zijn kalm gezicht Beschenen door dien straal van licht. O, Hoe gants anders dit gelaat Dan dat van die aan 't venster staat! Zijn oog was klaar, zijn schedel blond, Een stille lach speelde om zijn mond, Daar was een blijde rustigheid Op al zijn trekken uitgespreid.... Zie! schriklijk was dat onderscheid Van zoon en vader! 't Scheen ook dat Dit denkbeeld Guy getroffen had; Want vaak hield hy den blik gericht Naar dat bedaarder aangezicht; Hoe wild het door de kamer vloog, Die beeltnis trok gestaâg zijn oog.
Maar ijlings zag hy Machteld aan, En zóó, dat hy den schedel boog, Als om haar vorschend gâ te slaan. O! Daar was angst, ontzetting, schrik, Verwijt en vonnis in dien blik, Hy was voor haar niet uit te staan! 't Was of dat vreeslijk oogelicht Verteerend brandde op haar gezicht. Hy had geen deernis: streng en straf Hield hy 't gelaat tot haar gericht; Maar eensklaps grijpt hy 't siddrend wicht By d'arm, en stoot haar van zich af.
Cookies on Poetry Cove