IX.
En Guy was, van zijn eerste jeugd, In Godsvrucht opgegroeid en deugd; Hy was geloovig, niet als hy Die koel van hart en leêg van hoofd Slechts zegt: ‘mijn vader heeft geloofd, Mijn moeder bad, - geloven wy!’ Neen zijn geloof was levend; 't bloeide Door goede werken; zijn gemoed Bleef nimmer koud of laauw, maar gloeide Van Christelijken liefdegloed; Ja, die gestrengheid was de zijne, Die licht tot dweepzucht overslaat, Maar die, hoe hard ze somtijds schijne, Altijd een vroom gemoed verraadt. En daarom hield hy, alle dagen Ter vroegmisse ijvrig opgegaan, 't Oog op de blonde maagd geslagen, En zag haar als een zuster aan. Geen' wie zoo'n heilge schroom bezielde, Wanneer zy 't outer nader trad; Niet een', die zoo eerbiedig knielde, Als zy haar rozenkralen bad;
Geen die zoo needrig, zoo boetvaardig Ter aarde neêrzonk voor 't Hoogwaardig; Geen' wie zoo'n huivring overviel, Wanneer de miskelk ingeschonken, En 't heilig bloed werd uitgedronken, Tot pand der redding van haar ziel! Guy was verrukt; hy had by velen Dien vromen zin vergeefs gezocht; En wenschte dat hy vinden mocht, Aan wie zijn harte meê te deelen; Met wie te bidden naar zijn wensch, En die verrukkingen te smaken, Die 't hart verheemlen van den mensch, En reeds in hope zalig maken! - Daar waren, die van stap tot stap Den snellen gang der liefde schetsten, En hoe zy stijgt ten hoogsten trap, Tot dat ze hartstocht wordt ten letsten; Wy schildren niet wat ieder man Gevoeld heeft, of gevoelen kan; Ook was er in de min van dezen Een reiner zin, een hooger geest, Zoodat zy een beschrijving vreest, Die licht.... beleedigend zou wezen.
Zijn liefde scheen van hartstocht vrij, Zy kende scherts noch kozery; Haar scheen niets zinlijks aan te kleven; Aan velen scheen zy veel te koel, En slechts een broederlijk gevoel, Door weêrzijdsch' eerbied opgeheven; Een kalme teêrheid, die den gloed Der opgebruischte drift niet kende, Zich enkel tot de zielen wendde, En geen gebied voerde over 't bloed. - Hoe 't zij, die Guy, die alle dagen De schriften ijvrig onderzocht, Des pelgrims voetzool had gedragen, En 't heilig graf aanbidden mocht; Hy, van wien allen lang voorzagen Dat hy, als menschenschuwe klerk, Zich toe zou wijden aan de kerk; Het monnikskleed eens aan zou gorden, De wareld in een cel ontgaan, Een dweeper, of een Heilig! worden, Nam 't Sacrament des Huwlijks aan. Hy trouwde Machteld, maar ontvluchtte Zijn goedren en zijn land, omdat Hy 't toornen van zijn maagschap duchtte, Wier trots hy dus beleedigd had.
Haar wrevel en haar haat ontweken Trok hy naar noordelijker streken, En vond in 't ledig slotgebouw Van Poelgeest 't lachend huwlijks-Eden, Smaakte al der liefde zaligheden, En d'aardschen hemel van de trouw.
Cookies on Poetry Cove