XXII.
De morgen rees, maar traag en flaauw:
Geheel de lucht was donkergraauw;
't Was mat en vocht en dampig weêr;
Een fijne regen daalde neêr;
Daar lag een vale treurigheid
Op heel het landschap uitgespreid;
Een doffe tint, een doodsche schaâuw,
Een loodzwaar floers van smart en rouw.
't Was een dier dagen, die 't gemoed
Naar de avondstond verlangen doet,
Verzekerd dat geen straal van licht
Door wolken boren zal zóó dicht.
Die slaaprige onmacht der natuur
Verveelt het hart van uur tot uur;
't Is of haar, roerloos uitgestrekt,
Een aaklig doodskleed overdekt;
Het is of wind en vloed vereend,
Een laag, een sleepend lijklied steent.
't Geboomte staat als neêrgebukt,
Gebloemte en kruid ter aard gedrukt;
Geen vooglenzang vervult de lucht;
Slechts waar een raaf zijn nest ontvlucht,
Als hem de lijklucht tegenstinkt,
Die door dien laauwen dampkring dringt,
Verneemt het oor zijn wiekgeklep,
En 't krassen uit zijn krommen neb;
Slechts waar de bontgevlekte meeuw,
Die 't naadren van den storm voorziet,
De rimpling scheert van kreek en vliet,
Ontzet men van een raauwen schreeuw,
Maar 't neêrgeslagen harte heigt
Naar 't onweêr, dat zijn kreet ons dreigt.
Zoo'n droeve dag ging Poelgeest op,
En schemerde om zijn torentop,
Om 't somber floers van nachtlijk zwart
Te heffen van dit huis van smart,
En spreidde een nevel dun en voos
Om deze woninge des Doods.