Skip to content
1837

Guy de Vlaming

Nicolaas Beets

XXII.

De morgen rees, maar traag en flaauw: Geheel de lucht was donkergraauw; 't Was mat en vocht en dampig weêr; Een fijne regen daalde neêr; Daar lag een vale treurigheid Op heel het landschap uitgespreid; Een doffe tint, een doodsche schaâuw, Een loodzwaar floers van smart en rouw. 't Was een dier dagen, die 't gemoed Naar de avondstond verlangen doet, Verzekerd dat geen straal van licht Door wolken boren zal zóó dicht. Die slaaprige onmacht der natuur Verveelt het hart van uur tot uur; 't Is of haar, roerloos uitgestrekt, Een aaklig doodskleed overdekt;

Het is of wind en vloed vereend, Een laag, een sleepend lijklied steent. 't Geboomte staat als neêrgebukt, Gebloemte en kruid ter aard gedrukt; Geen vooglenzang vervult de lucht; Slechts waar een raaf zijn nest ontvlucht, Als hem de lijklucht tegenstinkt, Die door dien laauwen dampkring dringt, Verneemt het oor zijn wiekgeklep, En 't krassen uit zijn krommen neb; Slechts waar de bontgevlekte meeuw, Die 't naadren van den storm voorziet, De rimpling scheert van kreek en vliet, Ontzet men van een raauwen schreeuw, Maar 't neêrgeslagen harte heigt Naar 't onweêr, dat zijn kreet ons dreigt.

Zoo'n droeve dag ging Poelgeest op, En schemerde om zijn torentop, Om 't somber floers van nachtlijk zwart Te heffen van dit huis van smart, En spreidde een nevel dun en voos Om deze woninge des Doods.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Guy de Vlaming · Nicolaas Beets · Poetry Cove