XXI.
De dweeper zag haar teder aan; 't Was of 't beklemd gemoed Zich zou ontlasten in een traan, Misschien een tranenvloed! Maar eensklaps! God! wat ommekeer! Zijn gitzwarte oogen schittren weêr, Maar van nog woester gloed! Een koude siddring doet hem beven, Hy strekt zijn armen krampig uit, En houdt ze dreigende opgeheven, Zijn mond gaapt naar 't geluid. Zijn wang vervalt; zijn schedel nijgt Ter aarde, en op zijn voorhoofd stijgt De wolk der razerny;
Geheel zijn lichaam schokt en trilt; Hy grijnslacht, schatert, kermt en gilt; Zijn duivel is naby. Hy schudt zijn zuster van zich; kruist De kamer, met gebalde vuist, En woeste stappen dóór; Zijn redevloed heeft slot noch zin, Hy mengt er vloek en scheldwoord in, En bijbeltexten, onvertaald En buitensporig aangehaald, Afgrijslijk voor het oor. - Maar, vrome Machteld bleef geknield, En merkte niet haar Egaâs woede, Doch bad, van hooger geest bezield, Om bystand tot d'Algoede. Zoo baden martlaressen vaak, Gebonden aan den gruwelstaak, En zagen, in 't gebed verzonken, Niet hoe de vlammen om haar blonken.
‘“Zy komen”’ - zoo riep hy - ‘“wat komen zy vroeg! Laat af! uw nabyheid is foltring genoeg! Wijk achter my, Satan! gy kunt uw gebied
Wel voeren, wel foltren al zie ik u niet! ............... Ha! tulband en heupzwaard gekromd als een maan! Ha! bloedige Bassa wat grijnst gy my aan? De held is gevallen en doemling als gy; Verheug u en schater, de hel is naby! ‘Ook gy werd dan krank, en ook gy ons gelijk; Uw trots is geknot in dit duistere rijk, 't Geklank uwer luiten’ - dus spreekt gy - ‘heeft uit, En maden en wormen verwachten hun buit! Hoe, Morgenster! vielt gy dus neêr van den trans? Hoe, zoon van den uchtend! hoe derft gy uw glans? O Gy die geen Heiden uw vloek hebt gespaard - Hoe vielt gy dus zelf, en vermorseld, ter aard?’ ............... Ha! Priester in 't miskleed, vertoon uw gezicht! Uw vloek is vervuld en de hel u verplicht! - Zeg, ziet gy dien sleep niet van juffren in 't geel? 't Zijn àllen mijn zusters in bruiloftsfluweel. - Geen rozen! geen rozen! neem weg uit mijn oog! Wat rozen beneden en rozen omhoog! Geen teeken des kruices! Daar staat een Heidin - Ik kan aan haar zijde de kerkdeur niet in! - Vervloekte! mijn lot heeft met u niets gemeens;
Al ben ik geen Christen, ik was het toch eens! ...............
Weg, hondsche Heidnen! weg van my! Ontzie u! - Guy de Vlaming heet ik - Waan niet dat ik u dienstbaar zij, - Neen! Christus ken ik, Paulus weet ik, Maar, Toovenaren! wie zijt gy?
............... Mijn degen! mijn degen! mijn lans en mijn zwaard! Men breng my een harnas, men zadele een paard! Trek uit dat ruw linnen, die pelgrimsrok sluit! Ik stik in die plooiën, ik kan niet vooruit! Mijn beuklaar! mijn beuklaar! zy vallen my aan: Ik kan met dien palster geen Heidnen verslaan! Ha! lacht niet, vermeetlen! noch juicht in uw trots! Een oogwenk en 'k blink in de rustinge Gods! Op Ridders! heeft niemand een zwaard voor een vrind? Een zwaard dat de levens der Heid'nen verslindt? Ha! dolk van den Sultan, gy schuilt aan mijn borst, Nog zijt gy met bloed van Barbaren bemorst; Wees welkom! nog eens zult gy baden in bloed, Sterf heks! met uw rozen! Gy duivlengebroed!’
Hy spreekt; en van zijn handen snort Een dunne dolk van blinkend staal: - Een luide gil klinkt door de zaal; En Machteld ligt ter aard gestort.
Cookies on Poetry Cove