X.
Maar nu? - Maar nu! - Sints zeven weken Heeft hem zijn Machteld niet gezien. ‘Hy was van 't huis verreisd misschien? Zijn afzijn deed haar 't harte breken?’ - Neen , neen! Ditzelfde slotgebouw Besloot den Vlaming en zijn vrouw. Maar hy onttrok zich aan haar oogen, In d'onbewoondsten hoek van 't slot, Waar niemand, naar zijn streng verbod, Hem voor 't gezicht zou komen mogen, Dan hy, die hem, na elke nacht, Een bete broods en water bracht. Wat was van dit gedrag de rede? Geen stervling die het wist; en zy Die hem beminde althands niet. Hy? Hy leefde op 't slot met elk in vrede;
Hy was gelukkig; dikwijls had Hy 't haar betuigd; zijn oogen zeiden 't Aan ieder, die hem nader trad; - En kan een helder oog misleiden? Neen vroomheid, vriendschap, ernst, verdriet, Dat alles kan vermomming wezen, Alleen 't genoegen huichelt niet, Maar laat zich op het voorhoofd lezen. Daar is een straal van vriendlijk licht, Die schijnt om 's blijden aangezicht, En lieflijk blonk hy over dezen, Terwijl uit al zijn trekken sprak Dat hem niets kwelde, niets ontbrak. Maar nu! - Helaas, voor zeven weken, Was hy des avonds onverzeld De lage zijpoorte uitgesneld, En zonder tot zijn gâ te spreken. Hy kwam, by 't vallen van de nacht, Op 't huis terug, waar hy met beven En angst door Machteld werd gewacht. ‘Wat had zoo laat hem uitgedreven?’ .... Daar wàs hy: - wonder klonk zijn taal! ‘Men breng my licht in de oosterzaal! Mijn tabbaart; dronk noch avondmaal! Bid de eedle Vrouw, vóór ik 't begeere,
My niet te naadren. Ik verzoek Mijn Bijbel en Getijdeboek, Breng die. 'k Beveel haar aan den Heere!’
Cookies on Poetry Cove