I.
Vóór nog een ruwe krijgsmanshand Het aadlijk Poelgeest had verwoest, Omdat de hitte van zijn brand Eens Bisschops hart verwarmen moest; - Vóór nog des Burchtslots trotsche kruin Was neêrgestort en laag gelegd, Omdat een slechte wapenknecht Bravéren moest op 't rookend puin; - Vóór nog het zwaard, van 't moorden warm, Den grondslag-zelv' te ontblooten zocht, Opdat de moedwil weten mocht Hoe ver de kracht ging van zijn arm; Was daar, aan 't eind van een der gangen, Een zaal met zwart fluweel behangen; Waar menschenvoet nooit binnentrad; Waar, door gebroken vensterramen,
Slechts raaf en vleêrmuis binnenkwamen, En 't uilgebroed zijn nesten had. Waar ge, als de Maan door 't venster speelde, En ge opzaagt naar den rechterkant, U iets dat blonk te zien verbeeldde, Dat afstak by dien zwarten wand. Waarvan het Bygeloof verhaalde, (Die Telg en Moeder van de Vrees) Dat 's nachts een bloedig spooksel dwaalde, Waarvan u 't hair te berge rees; Waar de Alfensche en Koukerksche boeren Met heilige eeden van bezwoeren, Dat menig hunner, in den nacht Dien hoek met huivring langs gekomen, Een aaklig gillen had vernomen, Dat opkwam uit de diepe gracht. - De dwazen! die den Tijd verboden Den demper der vergetelheid Te zetten op een treurig feit, - De dood onthielden aan de dooden! Zoo dat de wanklank eeuwig scheen, Die 't hart doorreet van alle braven, 't Lijk der gestorvene onbegraven, De zaal nog open als voorheen.
Cookies on Poetry Cove