V.
Wie uwer zal het my verklaren
Wat noodzaak ons het harte dringt
Om iets verschriklijks te openbaren,
Wat ieders ziel tot siddren dwingt?
Is 't Wreedheid, die zich ongenadig
Met andrer angst en smart vermaakt?
Hardvochtige Eerzucht, die baldadig
Naar een triomf van tranen haakt?
Is 't Eigenliefde, die zich prikkelt,
Omdat wie ramp verhaalt of leed
Zich-zelven meest belangrijk weet,
En die, in 't kleed des rouws gewikkeld
Een huichelaarster, tot u treedt?
Is 't Heerschzucht, die 't gebied wil voeren
Op -? zwakke zielen licht verkloekt!
Of Kunstnary, die eerbied zoekt
Door elk te schokken en te roeren?...
Neen! is 't niet dat ons krank gemoed
Een hartstocht voor de droefheid voedt?
Een trek om 's warelds ijslijkheden
In al haar treurigheid te ontleden,
Een neiging die behoefte werd,
En 't zalig maakt zich toe te geven
In wat geheel de ziel doet beven, -
Sints daar voor 't menschelijke hart
Niets zoeter is dan 't mededogen,
Niets milders dan de traan voor de oogen,
En geen gevoel voor 't kenvermogen
Zoo klaar en duidlijk als - de smart.
En daarom zoo mijn huidig lied
U mooglijk siddren doet of weenen,
Gy allen, die my 't oor wilt leenen,
Beschuldigt my van wreedheid niet!