Op den Iseren Mars, gestelt buyten Cleve.
DIe my hier heeft gestelt voor alle te aenschouwen,
In dit seer schoone veldt was den Prins van Nassouwen,
Nae dat ick langen tijdt niet had geweest te veldt,
Heeft dien Vorst my verblydt en dus in eer ghesteldt;
En ick was door den vreed geheelicken vergeten,
Den Oorlogh had my meed te vooren haest versleten,
Myn leden lagen al verstroyt, hooft, hals en been,
Siet doch den Prins nassau die brengtse weer by een,
Doet my hier setten heel de werelt tot een Wonder,
Want ick te voren scheen vervaerlyck als den Donder,
Wanneer ick sat te Paerdt tegen myn vyandt groot,
Die dan niet cond ontgaen die swarte felle doot.
End nu sal jeder wel my komen te gemoeten,
Om voor een teycken van den soeten vreed te groeten,
Denckt eens en my besiet hoe 't met my is verkeert,
Waer door dien Prins d'nassau moet altijdt syn ge-eert.
Binnen Cleve den 22 Decemb. 1653.