Verklaring Van de Print voor 't VIII Boek.
Een koningsmoorder, of die toeleide om den Vorst
Te dooden, word op 't rad, door helschen gloed ontsteeken,
Gedraait. Gerechtigheid wil zulk een gruwel wreeken.
Een gier doorpikt de long en lever in zyn borst.
Een Moordharpye slaat haar klaauwen in zyn leden.
De Ryksraad treurt by 't graf van
Wilhems
Gemaalin,
En zwaait de lyktoorts voor die groote Koningin.
Een Arend voert haar ziel naar boven van beneden,
Om by 't Godinnendom te plaatsen in de lucht.
De Koning wandelt met de Vrede langs de wegen.
Hy toont haar Namen op de steenrots met zyn degen;
Een vesting door natuur en boukunst hoog berucht.
Wy moeten eerst die stad voor Karel weder winnen,
Zo zegt hy, eer ik u door 't aardryk voer ten toon.
Een Engel kroont den Vorst met eene zegekroon.
De Godsdienst en 't Gerecht geleiden, bly van zinnen,
De Vrede op haren togt, daar zy in 't witte kleed,
Gevolgt van Bachus, die den doffen geest kan streelen,
En Ceres, mild in graan en vruchten uit te deelen,
Met
Wilhem
hand aan hand voor Janus tempeltreed.
De krygsknecht vlucht van 't veld met slepende banieren:
Daar Moesel, Maas, en Rhyn, en Sambre zegevieren.