Hymne.
DEn lust der sinnen heeft ons Godt doen vergeten,
Met sond' om-cinghelt, en in veel drucks gesmeten:
Hierom is Iesus, in weghen ende hoecken
Ons, als een herder sijn schaepkens, komen soecken:
Van joncks af, soo was sijn deel in arbeyt, als der slaven,
En naer ziel' altijdt benauwt, tot dat hy wert begraven.
Eerst heeft hem Iudas sijn huys-ghenoot verraden,
Hier na ginck yeder sijn wreeden moet versaden:
In hem te vanghen, te binden, te verwijten,
Te schoppen, treden, te slingheren, te smijten:
Boven d'onghemeten rouw, die uyt sijn teere leden
Bloedt en water hadd' gheperst, en vloeyde t'aller steden.
Laet ons den Vader hier voor met lof vereeren,
Laet ons te gader den lof des Soons vermeeren,
Den Gheest der liefden, willen wy niet vergeten,
Een onverscheyden Godt, en goet onghemeten:
V ghenaed' heeft ons verlost van sond' en macht der hellen,
Wilt ons daerom in't ghetal van u beminde stellen. Amen.
Vers.
Godt en heeft sijnen eenighen Soon niet gespaert.
Antvv.
Maer heeft hem voor ons allen ghegeven.
Antiphone.
Ick hebbe.