Hymne.
O Lam onnoosel, vry van bedroch en vlecken,
Die u vijf wonden tot onser baet laet strecken:
Doet ons doch open de sluysen van u bloede,
Op dat u graty' ons hert' en ziele voede:
Zijt doch mildt in onsen noot; want ons veel sieckten deeren,
Ende leert ons met u bloedt ter salicheyt gheneeren.
O bloedt hooch-weerdigh, vol krachten, troost en minnen!
O schadt, die menschen noch Enghelen versinnen!
Ten vrede zijt ghy voor ons een offerande,
En van Godts rijcke vergunt tot prijs en pande,
Gheeft in ons u salich vyer, en doet het soo vermeeren
Dat wy moghen bloedt om bloedt, en ziel om ziel verteeren.
Eer zy den Schepper van al in den beginne,
Lof sijnen Soon, den Pelicaen van minne:
Wt liefde tot ons, die sijn borst liet door-graven,
Om onser zielen dorst, met sijn bloedt te laven,
Danck zy oock u heyligh Gheest, wiens gratien geschoncken,
Menich op den Pinster-dagh met volle lusten droncken. Amen.
Vers.
Wy alle-gader hebben als schapen ghedoolt.
Antvv.
Ende den Heere heeft op hem de boosheyt van ons allen gheleydt.
Antiphone.
O groot werck.