Op de wyse: Wt dieper noot, etc. PRoeft Heer mijn hert, ghy kent mijn doenPs.139,23. Van mynen jongen dagen, Als ick u Wet3.Reg.8,39. wel gae bevroen, Soo mocht ick schier vertsagen,Exo.20,1. Want u Wet te volbrengen siet, Was in mijn cracht minder dan niet, Onmoghelijck om draghen. In 'sweerelts vreuchde had ick lust,Rom.8,3. Mijn tijt had ick versleten, Naer 'sweerelts1.joan.2,16 loop heel wel gherust, Tot ghy my Heer liet weten,1.Pet.4,2. V soet vermaen en heylich Woordt En holpt my, doe ick lach versmoort,Ephes.2,5. Hebt ghy my niet vergeten. En ghy hebt my gheopenbaert,2.Cor.5,7. Den schat, die lach verborgen, En verlicht,matt.13,44. als ick was beswaert, Ginckt ghy Heer voormatt.11,29. my sorgen, En naemt my vriend'lijck by der handtPsal.55,23. V goetheyt en uwen bystant,Mat.8,15. Vernieude alle morghen.
Tot dat ghy my volcomen brocht, 1.Ti.3,15.Om in u huys te woonen, Hebt my door 1.Pet.2,19.Christi bloet ghecocht, En deed' myner verschoonen: Ioan.1,12.Door hem word' ick u kindt bequaem Ephes.1,6.Tot heerlijckheyt van uwen Naem Psal.103,4.Ginckt ghy my dus becroonen. Gen.17,4.En soo werd' ick een vreemdelinck, Hebr.11,38.Ginck dolen achter lande, Den Draeck tot Apoc.12,20my uytschieten ginck, Stroomen menigerhande, Eph.6,12.Somwylen rust, somtyden strijdt, Maer ick werdt doch altijt bevrijt, 2.Ti.4,17.Heer, met uwen bystande. Psal.20,3.Raet gaeft ghy my, in mynen noot Psal.106,4.Quamt ghy my visiteren, Also wilt uyt genaden bloot, My nu voortaen regeeren, Nu mynen tijt schier is vervult, Luce.12,36.En verwach dat ghy comen sult matt.24,23.En mijn daghen mineren. Staet by my, Heer, dat ick nu voort Psal.31,14.V paden recht mach treden, Nu my de oudtheyt 1.Par.23,1.comt aen boort En swack zijn al mijn leden, Iob,17,7.Gheeft dat ickse verslyten mach, Rom.6,19.Tot comt, Heer, mynen laetsten dach, 2.Petr.1,6.Met Christelijcken zeden. Psal.17,7.Toont u goetheyt, en maeckt my sterck 1.cor.16,10.Te doen u welbehaghen, Op dat ick blijf Heer Mat.20,7.in u werck, En mach met vreuchden dragen matt.11,29.V jock, en zijn u onderdaen matt.25,10.En namaels mach niet binnen gaen, Vrolijck sonder vertsaghen. Deut.8,18.En daerom dat ghy Heer my gheeft Phil.2,13.Den wil en het volbringhen, Soo moet ick Psal.44,4.blydelijck beleeft, V dees offrande bringhen, Rom. 12. 1.Belydende tot aller stont, Psal.118,1.V goetheyt uyt mijns herten gront En desen Lofsanck singhen.
Nemet Heer aen, als Rammen vet,Ephes.5,19. So ghy my hebt verstanden, Isser noch yetExo.29,18. dat my besmet, Dat reynicht deur u handenLevit.1,10. En maeckt my Heer louter en claerRom.12,1. Een offer op uwen Outaer,Hebr.15,10. Dat reyn voor u mach branden. Siel ende lijf beveel ick nu,Psal.31,6. In u handt, wilt my sparen, En mynen troost stel ick in u, O Heer, wiltmatt.25,32. my vergaren Als mijn reyse sal zijn gheent,Genes.17,8. Dat ick dan in des Hemels tent,Apoc.21,1. Mach zijn by u dienaren.
Cookies on Poetry Cove