Skip to content
1625

Het groote liede-boeck

Leenaert Clock

Op de wyse van den 50. Psalm: Godt die der Goden Heer is, etc. SIet en aenhoort, en wilt te recht verstaen Ioan.16,13Wilt yemant den heylighen Gheest ontfaen Prov.3,11.Die moet nu maken sijn herte bereyt, Soo ons de Schriftuyre te vooren seyt Verootmoedighen moet een mensch tot desen

Die een woonstede van Gods geest wil wesen. Tuyght Esaias dit niet over alEsaie.66,2. Op welcken dat de Gheest Gods rusten sal Dit vreaght hy, ende hy gheeft die antwoort, Claerlijck uyt synes Heeren heylich rapoort, Dan op den ootmoedighen ende stillen, Verootmoedicht, die hem ontfanghen willen. Int herte moet men oock ghereynicht zijnMatth.5,8. Nu te vaten des Gheestes soeten wijn, Wel ghewasschen in het bloet Christi reyn, Door 'twoordt der waerheyt, soo die Schrift tuyght pleyn,Ephes.5,26 Elck schuyr sijn hert, en maeck het schoon van binnen, Want sulck logijs, doet Gods Gheest hier beminnen. In liefden men oock vereenicht zijn moet,Ioan.13.34 Als Christi Iongheren te samen soet, Want een herte en een ziel was in haer,Actor.4,32. Alsoo moet het in Gods kinderen voorwaer Oock wesen nu in dese laetste tyden, Willen wy anders deur den Gheest verblyden. Niet en maeckt levende der menschen gheest Dan leden aen 'tlichaem verbonden meest, Also oock Gods Gheest aen geen geestlijc lidt Dat niet vast aen 'tlichaem Christi en sit, Vrede vercondichde Christus te vooren,Ioan.20,21 Daer na gaf hy haer synen Gheest vercooren. 'Tis oock waerachtich, wie Gods Gheest begheert, 'Therte moet zijn van ydelheyt ghekeert, Afghesondert in rechter eenicheyt, Tot den ghebede nacht en dach bereyt, Soo hadden die Apostelen den zeghen, Doe sy den heyl'gen Gheest hebben vercregen.Ioan.20,19 Op dat men hem ooc mocht ontfangen hoort So moet men neerstich hooren Godes woordt

Als die deden in Cornelij huys, Actor.10,44Doe Petrus sprac, viel hy daer met gedruys Op all' de gene die neyghden haer ooren, Om d'Euangelische leere te hooren. Actor.2,38.Men moet hem ooc geven tot ware boet En op't gheloof laten Doopen met spoet, Act.8,16.Want doe Philippus (soo Lucas verbreyt) De handen op die heydens heeft gheleyt, Ontfinghen sy den heyl'gen Gheest dermaten Wel haer die nu soo bereyden haer vaten. Alle die nu des Gheests begheerich zijn, Worden ootmoedich ende suyver fijn, In liefde eenich, heym'lijck int ghebet, 'Twoort Gods hoorende, boet doen onbelet So meucht ghy van den Geest na u verlangen Over u comende, van Godt ontfanghen. Slaet hier op acht, beminde in den Heer, Wilt dach en nacht hierom arbeyden seer, 'Tis meer weerdich dan allen aerdtschen slijck Ephes.1,14.'Tverzegelt ons nu tot den Hemelrijck De Heer maec ons hier toe bequaem te samen, Wie dit begeert, singh vrolijc met ons, Amen.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Het groote liede-boeck · Leenaert Clock · Poetry Cove