Nae de wyse: Waeckt op, waeckt op, 'tis meer dan tijdt, etc. LAet ons met vreuchden een nieu Liedt, Te samen vrolijck singen, Van 'tgene dat Psal.126,4.ons is geschiet Want het zijn groote dingen. Een tongh' dat niet uytspreken mocht 1.Petr.2,6.Dat ons is wedervaren, Gods goetheyt heeft Ephes.4,17.het by ghebrocht Wy mogent wel verclaren. Genes.6,13.Ydel was ons leven ghelijck In boosheydt boven maten: Maer Godes Soon van Hemelrijc, Is ons comen te baten. Act.17,30.Siet den tijdt der onwetenheyt, 1.Cor.6,12.Heeft hy oversien goedich Met ons, en ons matt.11,28.een tijt bereyt, En ons beroepen spoedich. Apoc.21,1.Binnen het nieu Ierusalem, Om daer eeuwich te woonen, Wy moeten ons matt.16,15.houden by hem, Het leven niet verschoonen. Rom.6,2.Eens hebben wy 'tleven versaeckt 2.par.15,12.Ons hem overgegeven, En een verbont met hem ghemaeckt, Eeuwich met hem te leven.
Tot ghener tijdt en breeckt den bondt, Maer blijft altijdt ghetrouwe, Bewijst uytApoc.2,10. uwes herten gront Dat ghy zijt sijn huysvrouwe.Apoc.2.1,1. Lust en begeerte in sijn huys, Hebt doch altijt te comen, Het is beteeckentHebr.2,6. met het Cruys, Dat moet zijn opghenomen.mat.16,24. Al u verlanghen nu doch stelt2.Cor.5,2. In de Hemelsche goeden, Met den aertschenApoc.21,1. u niet en quelt, Naer d'eeuwige wilt spoeden. Maeckt in den Hemel eenen schat,Mat.6,20. Die eeuwichlijck mach duyren, Op dat ghyLuce 16,9. meucht ghebruycken dat, In Ierusalems muyren.Apoc.21,1. Men mach de Croone niet ontfaen,2.Ti.2,5. Men moet eerst trou volheerden, En IesumApoc.2,10. Christum hangen aen So langh men leeft op eerden.matt.10,22. Een goet begin met vryen moet, Dat is een goet behagen, Maer het eynde des levens goet Dat moet den last dan draghen. Rust u mijn liefste in den Heer En laet u lampen branden, Verslijt u tijt totMat.25,4. Godes eer, So comt ghy niet tot schanden.matt.22,12. Ter eeren Gods heylighen Naem, Heb ick dit Liedt ghesonden, Ons liev' Heer make u bequaem, Dat ghy trou wort bevonden.mat.25,21. Seer lieflijck groet ick u hier mee,Ephes.6, 20,23. Wilt myner doch ghedincken, Ick wensche u des Heeren vree, Sijn Geest wil op u sincken.Act.10,44.
Cookies on Poetry Cove