T. 1.
TEr eeren van Gods name goet.218
Te verstercken nu uwen Gheest.223
Teere spruyt zijnde nieuw verplant.227
Tis tijdt datmen te rusten gaet.233
Tot Godes prijs in synen name goet.224
Tot u roep ick, o Heer bekent.225
Tot my neycht uwe ooren.228
Tot u heb ick op ghebeden.229
Tot lof en prijs van Godes naem.230
Tot u roep ick, o Schepper mijn.231
Tot rekenschap worden wy allegaer.232
Treed voort comt uyt ghy, etc.210
Trintgen Stintghen, Saerken, etc.221
Troost gheeft my doch, o Heer, in mijn, etc.219
Troost die moet u doch wesen, etc,222
Troost Heer, en comt my doch te, etc.226