op de wyse van den 17. Psalm: Aensiet Heer 'trecht, etc. LAet ons knielen voor Gods aenschijn,Psal.95,6. V, o Godt, wy dancken en loven,Rom.15,11. Belyden u noch daer en bovenPsal 9,2. Bysonder, een Heere te zijn,Dan.2,23. En u vereert die gantsche Aerde,Sap.4,[8]. Recht als Vader, eeuwich altijtEsai.64,10.
Dan.3,58.'Tghetal der Enghelen subijt, Psal.148,2.Gantsch heylich ende groot in waerde. Ps.148,4.En den Hemel en alle cracht, Esai.6,2.Rijcklijck hier toe die Cherubimmen, Apoc.4,8.Iae oock met haer die Cheraphimmen, 2.Reg.15,7.Troulijck nu roepen dach en nacht, Sonder ophouden en cesseren, Heylich, heylich, heylich, noch meer Is de Godt Zebaoth en Heer Dit gheschiet u lof te vermeeren. Esai.6,5.Vol is den Hemel en die Aerd' Van uwer Majesteyt ghepresen, En van uwen heerlijcken wesen, Die vergaderingh' groot en waerd', Der heerlijcker Enghelscher scharen, Dat hoog loflijc en groot getal, Vwer Propheten over al, En reynicheyt der Martelaren. Die loven u t'samen eersaem, Die gantsche heylighe ghemeyne, Des gantschen aerdtbodems soo reyne Matt.6,9.Belyden u geheel bequaem, Eenen oneyndelijcken Matt.3,17. ende 6,5.Vader, Der heerlijckheyt en uwen Soon Ioan.15,26.Eerweerdich, waerlijc, eenich, schoon Apo.19,16.Den heyl'ghen Gheest onsen ontlader. Mat.16,16.Christe ghy zijt een Coninck groot, Der gloryen des Vaders Soone, Om bevryden den mensch ydoone, Hebt ghy Luce,1,27.niet gheschout in der noot, Den Buyck der matt.28.Maget, so wy lesen? Doen ghy den doodt so overwont matt.28,19.Hebt ghy den gheloovigen ront Ephes.2,17.'tHemelrijck gheopent met desen. Act.7,55.Tot Godes rechter handt sit ghy, In des Vaders eeuwige glory, Toecomende 2.Ti.4,8.dan met victory, Een rechtveerdige Richter vry Daerom comt en helpt ons int goede, Hebr.3,5.Die nu zijn, Heer, u huysghesin, Act.20,28.Dierbaer verlost van prijs niet min
Dan met uwen dierbaren bloede.1.Pet.1,18. Begaeft uwen Heylighen teer, Met eeuwighe glory en eere, Maeckt heylich u volck lieve Heer, Ghebenedijdt u erfdeel seer, En wiltse, Heere, doch regieren, Verheftse eeuwich, maecktse bly, Alle daghen (u Heere) wy, Ghebenedyen goedertieren. V loven wy, o Godt bereyt, Van eeuwicheyt tot eeuwicheyden, Heere, wilt ons doch soo bereyden, En weerdich maecken met bescheyt, En desen dach voorMat.6,10. zond' bewaren, Ontfermt u onser, lieve Vaer,Psal.123,3. Ontfermt u onser allegaer, 'Tis ons bede, hoort dit verclaren. Vwe barmherticheyt zy nu, Over ons, soo wy in u hoopen, En met betrouwen tot u loopen, Wy hebben, Heer, ghehoopt in u,Psalm.7,2. En sullen niet worden tot schanden,Psal.31,2. In eeuwicheyt, door 'svyandts nijt Lief Heer, helpt ons hier in altijt, Wy bevelen ons in u handen.
Cookies on Poetry Cove