V. 1.
VLiet doch die lusten der jonckheyt.234
Voor u o Godt, verschynen wy.237
Voorwaer men moet Gods Woordt.239
Voor een leere wilt doch ontfanghen.242
Voor my wilt nu, o Heere, sorghe, etc.243
Voor u comen wy, lieve Heer.244
Voor u ziele doch sorghe draecht.240
Voorwaer 'tdient niet versweghen.245
Vrienden wil doch bedencken wat, etc.238
Volijck weest doch in u ghemoet.235
V wilen wy, o Godt bereyt.236
Vwe namen Christlijck wel over deckt.241