Op de wyse: Van den 18. Psalm, Ick sal u lieden, etc. LIef Heer laet u bevolen zijn mijn sakenPsalm 37,5. Almachtich God wilt over my nu wakenProv.16,8. In desen mynen verlatenen stant,Psalm.127,1. Neemt ghy mijn sake doch nu by der handt,Psalm.9,5. Ghy weet den omganck al mijnder vyanden, Die my nu geern souden brenghen te schandenIob.1,7,2,2 Wt en inwendich zijnse even fel,Luce,22,31. Sonder ruste met seer quaden opstel.1.Petr.5,8. Is dit met eenen dal vol van onlusten.Psal.84,7. Daer men, dach, nacht, noch uyre en can rusten Voor de vyanden die nu om ons gaen, En dat ons van binnen doet comen aen,1.Pet.5,8. Ghy Heer weet ons ellendighe ghebreken,Ps.74,20. Daer in dat wy daeghlijcks vallen en stekenGenes.1,27. Ghy zijt ons schepper die ons heeft gemaeckt,Sap.2,23. Draecht sorghe en voor ons ten goeden waect. Siet wy bevelen ons met vast betrouwen
Psalm.37,5Gantsch en geheel (in dit ons swaar benouwen) Prov.16,3.In u bescherminghe want sy is vast, Psalm.71,1.Dat wy der schanden doch worden ontlast, Psal.55,23,40,18.Wilt doch bewaren voor ons sorghe draghen, Ps.18,3,91,2,144,2Nu voortaen al ons gantsche leve daghen, Ghy zijt onsen toevlucht en mynen troost Neemt doch ter herten Heere mijn propoost. Ps.7,2,11,2 31,1,71,1.BETrouwen wil ic vastlijc vroech en spade Dat ghy my sult deur u groote ghenade, Psalm.91,4 121,4.Behoeden en oock wel bewaren fijn, Onder u stercke vleughelen devijn, Psalm36,10.Van uwer grooter goetheyt uytghenomen, Exod.34,6.Dat het nimmermeer daer toe en sal comen, Psalm.30,10,31,2.Dat ick soude ontslapen in den doodt, Ghy zijt mijn verlosser uyt aller noot. Eph 1,18.MAchtich zijt ghy my daer in op te richten Ps.31,17,80. 5, 110,135.O Heere dat mijn ooghen oock verlichten, Des hertens met u claer schynende licht, Der Hemelscher Sonnen dat ick ghesticht Worde alsoo lief Heer tot mijnder rusten, Esai.19,2.En dat ick mach verblyden en belusten Ephes.6,17.In u waerachtich, heylsaem, crachtich, woort Hebr.4,12.Dat ick uyt uwen monde heb ghehoort. matt.24,30Tot dat ghy comt in den wolcken verheven Soo wilt my een wakende ghemoet gheven, Dat wacker zy en nuchteren bereyt, 2.Petr.5,8.Tot allen wercken der Godsalicheyt, Mat.10,16Geeft my die claecheyt (Heer) eender slangen, Rom.12,2.Dat ick door het spel niet en word ghevangen 1.Ioan.2,15Daer met de weerelt nu toont eenen schijn, Van buyten schoon maer van binnen fenijn, Mat.10,16'TIs al bedrieglijc wat sy toont voor oogen Op dat ick van haer niet en word' bedroghen, Soo maeckt my doch voorsichtich ende wijs, Dat ick uwen Name danck, loof, en prijs, O lieve Heer met alle myne daden,
En dat ick soo word salich uyt ghenaden,Ephes.2,7. Als dan sal zijn ghecomen mynen dachPsalm.71,1 Dat ick een goet betrouwen hebben mach. ISt niet u goetheyt die ick hier ontfanghe,Matt.6,32. Op deser aerden in dit leven banghe,Luce,12,31. Lief Heer ghy weet wat my van nooden is, Ghy en geeft niemant hier slangen voor vischLuce,11,11. Op die goetheyt wil ick my nu verlatenMatt.6,25 Ick weet dat ghy my sult comen te baten1.Petr.5,7. Alsoo ghy my hebt van des moeders lijf Seer wel versorcht in alle mijn bedrijf.
Cookies on Poetry Cove