Skip to content
1625

Het groote liede-boeck

Leenaert Clock

Op de wyse: In liefde getrou. ANders bedacht En wil doch niemant wesen Die int' rijck Gods wil gaenMat.19,17 Dan dach en nacht, Godt van herten te vresen Met ernste mercken aen Leeren recht verstaen, Hoe schoon Gods gunst sal blincken, Die nu Godt den synen saen, En ooc namaels wil schincken. NEerstich bedinckt Dat Gods reen liefden vyerich Ons hem ghelijcken doet Als sy ontfinckt,1.Ioh.4,16. In ons hert goedertierich, Worden wy metter spoet Vrolijck wel ghemoet, Tot kind'ren Gods vercoorenEphes.1,5. Door die reyne liefde soet, Worden wy nieuw ghebooren. GENeghentheyt

Om Godt te dienen stadich Philip.1,1.Als sijn ghetrouwe knecht Willich bereyt, 1.Cor.6,15.Als sijn leden voldadich, Ephes.5,30.Aen sijn lichaem gehecht Dit en is niet slecht Genes.17,7.met Godt te zijn verbonden Wilt doch dees' Gods gunst te recht Met verstande deurgronden. Int hemelrijck Ephes.2,19.Wort hy borger met namen Gal.4,6.En mede erfghenaem Even ghelijck, De Schepper na 'tbetamen Ioh.1514.Gantsch salichlijck bequaem, En een vrient eersaem Des alderhoochsten even Sulcks can Gods Gheest (soo ick raem) Synen dienaren gheven. Alsoo zijn sy Heb.12,22.Der Enghelen ghesellen Worden met haer gepaert En oock daer by, Hebben sy sonder quellen Sap.5,5.Deel met den vroomen aert, Die Godt wel bewaert Zach.2,8.Als d'aplen sijnder ooghen Wie en soud' doch niet vermaert In dit groot goet vermoghen? Cant.4,8.Soo doch die ziel Wort een Bruyt uytghelesen Des Hemels Conincks fijn Die hem gehiel Omhalst en cust midts desen, Cantic.1,1.Soo synen mont devijn Wat mach beter zijn Dan in synen arm rusten Wie en soud' na desen schijn, Niet alletijt belusten. Prijslijck voorseyt Wort de mensch int vermeren 2.Cor.6,16.Gods Tempel, Stoel en Throon Dien hy bereyt, Stadich besit met eeren, Esai.66,2.Als sijn ruststede schoon

Om t'ontfaen die croon1.Cor.19,25 Comen wy hier te stryden Maer van sulcken grooten loon, Sullen wy ons verblyden. Aen die ziel bet Wort de mensch levenachtich Verrijst soo van den doodt Reyn onbesmet,Col.3,1. Voor Gods aenschijn aendachtich, Te verschynen niet blootMat.22,11 Met betrouwen groot Staen in Godes aenschouwen,2.Cor.5,4. Dit comt haer in haren schoot Al die haer Christlijck houwen. Recht wel betracht Wat d'ander sullen erven Die gaen den ruymen padt Al dit voorsacht,Matt.7,13. Sullen sy moeten derven En in die schoone stadt Die den Engel madtApoc.21,1. En sullen sy niet comen, Nimmermeer beerven dat Schoon erfdeel metten vroomen. Staet Heer ons by Leert ons het best verkiesenLuce,10,42. Nu dat wy hebben tijdt Op dat doch wy, Ons selfs niet en verliesen Door 'twereltsche jolijt, Maer met gantschen vlijt Ons hert toe bereyden Hier toe ons' berader zijt, Door u barmherticheyden.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Het groote liede-boeck · Leenaert Clock · Poetry Cove