Skip to content
1625

Het groote liede-boeck

Leenaert Clock

Op de wyse: O jonghe domme jeucht: PEynsen gheeft my verlanck Naer u mijn lieve vrient; Dat ghy tot onsen danck, Ons soo wel hebt ghedient Al met des Heeren Woordt, 'Theeft ons soo wel ghesmaeckt Dat wy nu rechte voort, Naer meer hebben ghehaeckt. In Apoclypsi twee En twintich ghy ons wijst, De Heer is haestich ree Te comen dien dach rijst, Op driederley manier Eerst toont hy ons sijn Wet Om daer nae goedertier, Te leven altijt bet. En deur sijn goetheyt groot Roept hy ons all' ghelijck Om niet comen in noot, Maer in sijn eeuwich rijck Die sijn woordt hoort en doet En hem soo recht nae gaen, En doen oprechte boet Van dat hy heeft ghedaen. 'Tis synen wille niet Dat eymant hier verderft Maer 'tzondich leven vliet, En daer in niet en sterft Dus al die zijn belaen, 'Tis noch den rechten tijdt Christus wil u ontfaen, Maeckt u van zonden quijt. En tot sijn Bruylofts feest

Laet hy ons roepen al Tot sijn Bruyt in den Gheest, Te gaen op die wegh smal En met het Bruylofts cleyt Haer vercieren als Bruyt Dien haer soo niet bereyt, Worden gheworpen uyt. Ras comt de Heere goet En clopt noch voor ons deur Soo wie hem open doet, Sijn Avontmael met heur Wil hy houden voortan Dien nu doen naer sijn leer, Naer desen tijdt wort dan Tot boete gheen tijdt meer. Subijt al met de doodt, Sijn tweede comste naeckt Niemant die haer ontvloot, Wel hem dien altijdt waeckt, Hoe jonck, hoe cloeck, hoe sterck Of rijck hooghe van staet, Hoe gheleert, Leeck of Clerck Elck desen wech in gaet. Claer spiegelt u aen 'twijf Loths en Ananias Herodus sijn bedrijf, En die man Gods hoe ras Den Coninck Beltzasaer Den Rijckeman als sot Hoe haestich zijnse daer, Wech ghenomen van Godt. Yeghelijck denckt hier om Tydelijck leven cort Is ghelijck als een blom, Die haestelijck verdort En als een cleet dat slijt,

Met al sijn heerlijckheyt De doodt die comt subijt, Men hem in d'aerde leyt. Ten oordeel comen sal Den Heer ten derdenmael Met Basuynen gheschal, Naer Schriftuyren verhael Als een dief inder nacht, Of als een valstrick haest Alsmen hem minst verwacht, Dan werden veel verbaest. Snel als den Blixem comt, Met onweer en tempeest Veel die hebben gheromt, Sullen dan staen bevreest Roepen met groot misbaer, Als sy worden verweckt Och waer, och waer, och waer, Dus Bergen ons bedeckt. En die ter rechter handt Sullen hooren met vreucht Mijn Rijck is u playsant, Ontfanght loon voor u deucht, Een heerlijcke croon Blincken met cleders wit Hooren dees woorden schoon, Mijn eeuwich Rijck besit. Soo wie als wyse maecht Sijn lamp heeft wel voorsien Die tranen afghevaecht, Werden om te verblyen Salich wort oock dien knecht Die den Heer doende vint, In sijn wercken te recht, Wel diet in tijts versint.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Het groote liede-boeck · Leenaert Clock · Poetry Cove