H. 1.
HAnna die heeft tot Godt ghebeden.113
Heenrijck der werelt, etc.104
Hebt lief malcanderen alle tijdt.114
Heer Godt, doch zijt ghenadich nae, etc.111
Heer Zebatorh, ghenadich Godt.110
Heylighe Vader, goet zijt ghy.109
Hellen-rijck ghy moet onder gaen.107
Hem zy alleen lof, prijs en eer.117
Heerde Hemels staet ons by.106
Heere mijn Godt ghebenedijdt.116
Heere op u betrou ick vast.115
Het zy u jent, seer wel bekent.105
Het scheyden valt ons suyrlijck.112
Het is voorwaer een deuchde.118
Hoort Broeders al te samen een vermaen.108