Skip to content
1625

Het groote liede-boeck

Leenaert Clock

op de wyse: Ick roep u, o Hemelsche Vader aen. Ephes.4,1.AEnhoort u beroep, ghy allegaer, Psal.34,1.Die lust hebt tot den leven, matt.10,32.En geerne soudt verschynen claer, By Godt den lieven Vaer, En sijn Engelsche schaer, Om daer te zijn verheven. Niemant en wil vergeten mal, Waer toe hy is gheboren,

Van Godt, en wat hy hier doen sal, Int Aerdtsche jammerdal, Op dat hy by 'tghetal Mach staen, die zijn vercoren. Niet en zijn wy gheschapen hoort,Mat.25,16. Om tydelijcke dinghen, Maer om dat wy souden onghestoort, Achten op Godes Woort, En gaen in liefdeEph.1,4. voort, Om Gods wil te volbringhen. Een Man sal lief hebben sijn WijfColos.1,22. En t'Wijf den Man beminnen,Eph.5,25 Maer Godt boven alle bedrijfDeu.4,35 ende 6,5. Moetmen met ziel en lijf/ Liefhebben evenMatth.22. stijf, Met crachten en met zinnen. Kennen wat hem behaeght alleen, En daer in neerstich wesen, Met eenen vromen herte reen, Int groote als int cleen, In alle doen ghemeen Als een kindt nieu verresen. En hier aen moet nu zijn ghewaeght,1.Pet.1,3. Man, Wijf, Kindt, Goedt, end' Erven, Ist dat het nu den Heer behaeghtLuc.14,21. Dat ghy 'tCruys mede draeght, En wordt doch niet vertsaeght, Ghy sult Gods Rijck verwerven. Neemt voor u een exempel schoon, Hoe Godt de lieve VaderIoan.3,16. Ons seynde synen lieven Soon, Hoogh uyt des Hemels Throon, Och verstaet desen toon, Het leert ons allegader. Dat nu sullen verlaten wy, Dat hy ons gaf op eerden, En doen dat oock van herten bly Soo als te vooren hy, Ons gaf sijn lief kindt vry, Al was hy groot van weerden. En sijns liefs Kindts ghehoorsaemheytPhil.2,8.

Is ons oock voor beschreven, Op dat een elck nu met bescheyt, Mat.25,24.Die sijn toecomst' verbeyt, Hem so make bereyt, Dat hy niet en moet beven. Mat.6,15.Gheen sorgh' noch geenen swaren moet Phil.4,6.En laet u niet beswaren, Maer neerstelijck Godts wille doet In des vleesch teghenspoet, Het dient u al int goet, Dat laet hy u verclaren. Roepen laet ons tot Godt den Heer, Mat.6,31.Hy weet wat wy behoeven, En wat ons dient tot t'sijner eer, Ioan.14,18.Verlaten nemmermeer, Sal hy ons, na sijn Mat.28,20leer, Dus wilt u niet bedroeven. En segghen, Heer, doet ons bystandt, Luc.17,6Wilt ons gheloove stercken, Biedt ons doch uwe milde handt, Door uwer liefden brandt, Dat wy int Aerdtsche landt Vwen will' alleen wercken. Matt.6,13.Vry maeckt ons van alle ghequel, En wilt doch voor ons stryden, 1.Pet.5,8.Al is nu schoon ons vyandt fel, Nydich in sijn bestel, O Godt van Israel, Ghy condt ons wel bevryden. Ioan.16,21.End' alle droefheyt wenden wijt, Esa.26,17.End' in blyschap verkeeren, Daerom, o God Psal.51,3.ghebenedijt, Ons doch ghenadich zijt, Op dat wy onsen tijt, Besteden u ter eeren.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Het groote liede-boeck · Leenaert Clock · Poetry Cove