Op de wijse van den 9. Psalm: Heer ick wil u uyt 'sherten gront, etc.
ANNA die lieve Weduw' vrouLuc.2,36.
Diende den Heer stadich ghetrou,
Sy staet ons nu t'eenen exempel,
Godt te dienen in synen Tempel.
Met haren voorbeelt sy ons leert,
Hoe wy Christ'lijck en ghemaniert,
In allen staet, voor alle dinghen,
Ons tijdt nu hier sullen doorbringhen.
Tit.2,12.Even seer in Godtsalicheyt,
Ons te beneerstighen bereyt,
1.Cor.7,5.Met aendacht vasten ende beden,
Eensaem met Christelijcken zeden.
Recht bedincken nacht ende dach
Hoe ons hert doch ghestelt zijn mach,
Als een reyn huys niet om verschoonen
2.Cor.6,16.Daer Godt met synen Gheest wil woonen.
Treden int goede altijdt voort,
Col.4,6.Matich in reden soo't behoort,
Dat men vertoont met alle sinnen,
Godt nu van herten te beminnen.
En loven hem met daet en mont,
Matt.4,23Hy die ons heelt en maeckt ghesont,
1.Pet.2,9.Door den Heylandt ons nu ghesonden,
En dat wy sijn deucht uytverconden.
Niet met blooten woorden alleyn
Maer oock met wercken groot en cleyn:
Die synen dienst nu soo betrachten,
Sullen hem dan vrolijck verwachten.
Soo een hert gheeft ons (Godt) te mael
Dat wy voor al doch principael,
Dit moghen doen, en trou volherden,
Soo langh' wy leven hier op der aerden.