Op de wyse: In Babylon met onverstande, etc. MARIA neemt doch in ghedachten 1.Petr.4,4.Oft uwen tijdt die is voor by, Doorghebrocht is, het dient te achten, Naer den wil Gods met herten vry, Want daerom Syr. 17.zijt gheschapen ghy, En hebt den adem en het leven Van Godt, die u dat heeft ghegeven, Denckt doch, waerom dat dede hy? matt.25,31.In sijn oordeel moet ghy verschynen Rom.3,6.Met alle wercken openbaer, Pracht ende Apoc.18,17.prael sal al verdwynen, Ten gelt voor Godt Apoc.21,1.gantsch niet een hayr, En wat nu dees weereltsche schaer, Hanteert, 'tgaet al te mael verloren 2.Pet.3,10.D'eeuwighe vyer salt al versmoren, Mal.4,1.'Tcomt eenen dach die maket claer. Om dat ghy dit nu comt te weten Syr.17,9.Dat ghy als ander sterven moet, Denckt het Matt.20,6.is langh ghenoech gheseten Ledich, dus gheeft u metter spoet Tot Godt, sijn welbehaghen doet Eer dat ghy scheydt van deser eerden, Ioan.1,12.Dat ghy doch Gods lief kint meucht werden Psal.91,1.Woonen hier onder sijn behoet. En dit en mach gheensins ghebueren, Matt 18,3.Ten zy dat ghy u omme keert, Nae het uytwysen 1.Cor.14,20der Schriftueren, So Christus overvloedich Ioan.3,3.leert: Voor 'sweerelts lust, dit doch 1.Ioan.2 16.begeert, En soecket, tot ghy't hebt gevonden, Matt.7,7.Sijn waerdy en is niet om gronden, matt.13,46.Och mocht ghy worden soo verneert. Soudt ghy dit niet te recht versinnen, Mat.7,26.Soo waert ghy wel onwijs en mal, Deut.6,5.Daerom lief kindt, leert Godt beminnen, matt.25,34.Op dat ghy comt by't lief ghetal, En 'tRijck dat Christus gheven sal, Eph.2,4.Oock meucht in nemen uyt ghenaden, matt.11,28.Hy roeptse al die sijn beladen,
Vergheeft hen hare zonden al,Luce,7,48. Ten sal niet zijn, soo wy uyt blyvenMatt.22,5 En niet en comen, nu hy roept, D'onschult der Mannen ende Wyven, En sal niet gelden wat men hoopt, Dus staet doch op, en snellijckRom.6,4. loopt, En neemt de lampe in u handen,Mat.25,7. Op datse mach ter Feesten branden, Nu doch by tyde oly coopt. Eer dat den Bruydegom comt spoedich, Op dat ghy meucht med' binnen gaen, Anders soo soudt ghy dan mismoedich, Droeflijck blyven buyten staen, Int helsche vyer, nae Schrifts vermaen,Apoc.19,20 Om daer te blyven t'allen daghen,Luce.16,26. Daer sal den worm dan eeuwich knaghen,Esa.66,24. Verschrickt u voor dit lyden saen. Nu ghy tijdt hebt, wilt hem useeren,Act.17,26. Keert u ghemoet tot Godt den Heer, SegtZach.1,3. tot hem: o ghy Heer der Heeren, Siet op uweLuce,1,34. arme dienstmaeght neer, Onderwijst my inPs.119,35. uwe Leer, Geeft my een herte heel gebrokenEsa.17,13. En gantsch verslaghen, wijdt ontloken,Psal.51,19. Om te doen alleen u begeer. DOCH niet en acht op mijn misdaden, Noch op mijn zonden groot en cleyn, MaerMat.6,12. vergheeftse my uyt ghenaden, Baedt my HeerTit.3,5. in u water reyn, Ick wil u aencleven ghemeyn O Heere Godt, verhoort mijn karmen,Psal.61,1. Ontfanght my doch in uwen armen,Ps.103,11. In u goetheyt hoop ick alleyn. TEeRe ben ick, en swack van crachten, Maer ghy, o Heer, blijft sterck en wijs, Wat ick niet recht en can betrachten, Dat onderwijstPsal.32,8. my heel propijs, Ick ben teerder als een jonck rijs In dese Weerelt opgheschoten, Met uwen dauw nu overgoten,
Laet my wassen tot uwen prijs. Ioan.7,37.VAN 'slevens water wilt my schincken Apoc.22,17.O lieve Heer, int herte mijn, Dat sal mijn Esai.55,1.ziele doen ontsincken, Als ick so sal ghelavet zijn: Syr 51,33.O Godt, u Goddelijck aenschijn Psal.67,2.Laet over my ellende lichten, Luc.7,15.Dat ick my gantschlijck mach oprichten, Mat.8,15.Biedt my doch uwe handt devijn. ILEN sal ick in goeder maten, Tot uwer eeren, geeft my cracht Dees boose 1.Ioan.2,15.Weerelt te verlaten, En haer te seggen goeden Luce,6,25.nacht, 'Tis langh ghenoech met haer gelacht, Maer tot u Godt wil ick my voeghen Luce,1,43.In u salicheyt my verhoeghen, Mat.7,24.Hoe wijs is hy, die dit betracht.
Cookies on Poetry Cove