Op de wyse: Verblijt u lieve Christen ghemeyn. HEere, op u betrou ick vast,Psal.7,2. Laet my niet gaen tot schanden,Psal.23,1. Verlost mijn ziele van den last,Psal.71,2. Aller myner vyanden: Door u gherechticheyt helpt my,
Mijn sterckte vasticheyt zijt ghy, Ick vlie tot uwen handen. Psal.18,3.O ghy mijn vaste borch en slot, Psal.22,10Mijn toeverlaet en Heere, Psal.18,36.V rechte handt helpt my (o Godt) 'Tgheschied' tot uws Naems eere, Psal.71,5.'Tis mijn hoop' van der jonckheyt aen, Door u ben ick onthouden saen, Iere.1,5.Van 'smoeders lichaems teere. Iae ghy Heer hebt my uytgheruckt, 1.Cor.1,29.Van u is mijn beromen, Ps.118,25.Door u is mijn sake gheluckt, Mijn sterckt is van u comen, Psal.71,7.Laet mynen mondt uws roems vol zijn Mijn ziel u stadich prysen fijn, Dancken met allen vroomen. Psa.71,18.Te ruggh' verwerpt my, Heere, niet, Nu in mijn oude daghen, En als mijn cracht afneemt aensiet 1.Petr.5,8.Mijns vyandts boose laghen, Die nu hoogh roept met syner stem, En seyt: Godt heeft verlaten hem, Grijpt en wilt hem nae jaghen. Psal.71,12.En weest doch Heer van my niet wijdt, Ps.35,26. 7.3.Haest my te helpen spoedich, Schaemt en ontbreeckt haer t'ghener tijdt Com' op haer overvloedich, Die teghen mijn ziel setten haer, Smaedt en schimp, bedecktse swaer, In al haer doen hooghmoedich. Psa.71,16.Recht voortgaende, wil ick altoos, Vws beroemens meer maecken, Vercondighen met mynen voos Vwe gherechte saecken, Daghelijckx uwe salicheyt, Die ick om tellen onbereyt, Exod.4,10.Ben, en te swaer van spraken.
En ick wil ingaen van der Ioan.1,12.macht, Des Heeren nu te spreken, V gherechticheyt betracht,Apoc.2,26. Die altijdt is ghebleken: Van joncks op hebt ghy my gheleert, Noch word' u lof van my vermeert, Vercondicht onbesweken. Niet en verlaet my doch, O Godt,Psal.71,18. Nu ick oudt ben van Iaren, Als ick grijs worde (jae Heer) tot Dat ick noch mach verclaren,Deut.6,20. Kindts kinderen uwen arm sterck, Die ghy (O Heere) stelt te werck Voor u trouwe Dienaren. Iae u gherechticheyt, hooh, rijck,Psal.36,6. Reyckt: ghy doet groote dinghen O Godt, wie is doch uws ghelijck?Psal.86,8. Ghy die mijn Ziel laet bringhen1.Sam.2,6. In seer veel benautheden groot,Tob.13,2. Verwecktse dan weer van den doodt, Doets' uyt der aerden springhen. Crachtich en groot maeckt ghy uyt, HeerPsal.71,2. Veel troost gaet ghy my gheven,2.Sam.7,8. Soo danck ick u met Psalmen seer, Van uwe trouw verheven, Ick lofsingh u op Herpenspel, Ghy heylighe in Israel, Die eeuwich houdt het leven.4.Esd.2,14. Kent, Heer, mijn lippen, die zijn blyPsal.7,23. Dat ick u soo lofsinghe, En mijn Ziel, die ghy maeckte vry,Ioan.8,36. Daghelijcks ick volbringhe, Wt te vercondighen het recht, En u gherechticheyt niet slecht, Dus ick int hert opspringhe. Segt: die soecken mijn ongheluck,Psa.71,24. Dat sy haer moeten schamen,Psa.35,26. 70.3.
Vertsaeght, als ghyse stelt te ruck Door u cracht hoogh van namen: O Godt Vader in 'sHemels Throon, Door Iesum Christum uwen Soon, Moet dit doch worden, Amen.
Cookies on Poetry Cove