Op de wyse: Die werelt is gheheel in roere, etc. AERDelijck wilt u doch bewysen,2.Pet.1,4. Liedekens Christi allegaer,Rom.12,5. End' oprecht met Christo verrysen,Rom.6,4. In een nieuw leven openbaer,Col.3,10. Elck een neem sijn beroep wel waer // oprecht,Ephes.4,1. Op dat hy mach verschynen claermat.25,21. Int oordeel, als een trouwe knecht.Luc.19,17. 'TGEN' dat u de Heer heeft ghegheven,mat.25,20. Stelt doch int werck, 'tzy groot oft cleyn,Luc.16,17. End' bewijst doch met uwen levenMatt.5,8. Dat inwendich 'therte zy reynZach. 13,1,14,8. Gewasschen met die claer Fonteyn, perfect Van alle zonden int ghemeyn,
Iac.1,25.Elck een siet toe wat hem ghebreckt. 2.Cor.13,5.Recht behoeft hem elck een te proeven matt.25,24Of sijn doen sal moghen bestaen, Mat.22,12.Want dese sal hem seer bedroeven, Die dan moet uyt de Bruyloft gaen, Mat.8,10.Als men banden aen hem sal slaen, heel vast matt.25,42.End' hy van Gods volck wordt ghedaen, En moet worden des Satans gast. En laet u door niemant beletten, Galat.1,8.Die anders raet dan 'sHeeren woort, Luc.15,22.Ghy soudt anders u cleedt besmetten Apoc.15,5.Dat u te draghen nu behoort, 2.Cor.13,11.Met Godts volck hebt een goet accoort, met raet, Wat liefde breeckt, hier nauw op spoort, 4.Esdre.4,40.Dats altemael een quade zaet. Ephe.5,25.Ia mochte een ellick dit versinnen Ephe.5,25.Hoe dat hy is beroepen fijn, Hoe soud' een Man sijn Wijf beminnen, En zijn lijdtsamich sonder pijn Gen.2,23.Met haer, als met den vleesche zijn, heel teer Eph.5,25.Na Christi voorbeelde divijn, Mal.2,15.En na des heyl'ghen Geestes leer. Gen.31,6.En 'tWijf sou oock den Man aenhanghen 1.Pet.2,6.Houden hem voor den weertsten vrint, Colos.3,18.En schicken daer na al haer ganghen Dat sy van hem worde bemint, Tit.2,5.Beminnen boven Maoer oft kindt, den Man Hebr.12,1.Wat u belet, dit wel versint, Vrienden wil doch scheyden daer van. Rijplijck soud' hem elck een bedencken, 2.Pet.1,6.In all'dinghen houden goe maet, 1.Pet.2,2.Niemandt met syner tonghen krencken Prov.10,18Want 'tis voorwaer een boose daet, Syr.5,18.Vrienden wacht u van sulcken praet, alsdan 1.Pet.3.13.Soo ghy nae't goede altijdt staet, Wie ist die u beletten can?
Sticht'lijck wilt doch elckandren wesen,Rom.15,2. Al uyt een Christelijck ghemoet,2.Pet.1,5. En bruyckt bescheydenheyt in desen, Lijdtsaemheyt in den teghenspoetHebr.13,1. En broederlijcke liefde soet, behoudt, Wel haer, die dese leere goet, Beminnen boven tijdtlijck goudt.1.Pet.3,1. DOCHTERS bequaem, wilt dit bevroeden, En oock ghy Mannen alghelijck,1.Cor.7,3. Elck een wil hem tot deuchden spoeden,2.Pet.1,5. Gantsch ghehoorsaem, sonder practijck,1.Petr.1,22 Ghy die zijt tot den Hemelrijck, op't lestMat.22,6. Beroepen, van Godt neemt geen wijck, Tsal zijn voor u het alderbest.Luc.10,42.
Cookies on Poetry Cove