2
Wat baet het, of uw schoonheid Goden,
En menschen kan tot Liefde nooden,
En blaken doen in heete Minn'?
Wat baet dat u myn Engelin?
Het dient alleen om my te plagen.
Ik bid ontlast my van dat pak.
Myn smert vermeert noch alle dagen.
Ik kan dat leed niet langer dragen.
Myn nek is daer toe veel te zwak.