2
ô Schoone 't minde u veel te teeder,
Dan dat het u vergeten zou:
Doch keert het in het kort niet weder,
Ik bid u, maetig uwen rouw.
Wie weet of niet de looze min,
Het u stilzwygend heeft ontdragen,
En dus gespannen voor den wagen,
Van Cypris groote Koningin.