G.
’t Gebed van ons, thans in uw huis vergaderd.76
Geen grove zinlijkheid.97
Geliefden! diep in ’t hart geroerd.137
Gemarteld’ onschuld! rust, rust zagt in ’t stille graf.126
Gij, die, ieder dag en uur.86
Gij, groote God! zijt onze God alleen.12
Gij, ô Kenner onzer kragten21
Gij onze rots, ons vast gebouw.48
Gij slaaf der list, des snooden huichlaars roof.43
Gij wordt ter dood geleid.122
‘Gij zijt een Geest’ – Hoe groot, hoe uitgebreid.22
God, Almagtig, Wijs en Goed.80
‘God is een Geest,’ leert ons zijn woord en ’t licht der reden.139
God! onnadenkbaar in bestaan.11