W.
Waak op, mijn ziel! loof d’ Oppermajesteit.4 Waar drift met kragt haar stem verheft.114 Waarin is het heil gelegen.111 Was d’ aarde nog een paradijs.83 Was steeds ons hart bedagt.50 Wat helpen plegtige verbonden.70 Wat is de mensch een ding.90 Wat is de moedwil gruwlijk.123 Wat is, ô Mensch! aan ’t ijdel stof verkleefd.148 Wat is uw naam op ’t gansche rond der aarde.8 Wat kan het hart meêr zagten wellust schenken.138 Wat kost het moeit’ één hoofddrift t’ overwinnen.64 Wat laagheid, hoon en smaad.117 Wat magtig rijk een heerscher ook regeer’.79 Wat ook de dwaas bedoel’.67 Wat sterfling kent, ô onbegrijplijk Wezen.15 Wat zal d’ onschuld toch gewinnen.115 Wat zouden wij door zelfgezochte pijn.149 Weeg, goede God! ons doen en leeven.65 Weldaadig God! Volzalig Opperwezen.57 Welzalig hij, die, naar der boozen raad.34 Wendt d’ aandagt van uw geest in ’t ver voorleedne heen.142 Wie of de wijsheid ook moog’ zoeken.60 Wie schildert ons het deerniswaardig lot.120 Wie stijgt zo hoog in heil en eer.27 Wie waagt het, ons een flaauwen schets te geeven.74 Wie wordt, door ’t zagt, het vriendlijk mededoogen.71 Wie zich en alles, wat hij heeft.47 Wie zit in glorierijken stand.131 Wijs hebt g’, ô God! ons opgeleid.73
Cookies on Poetry Cove