XXVII. Verplichting tot deugd en godsdienst in het algemeen.
Wie stijgt zo hoog in heil en eer, Dat hij met U, ô Hemelvader! Met U, den allerhoogsten Heer, Als gunsteling en vriend verkeer En onbeschroomd als kind U nader.
2Die is ’t, die, louter van gemoed, Niet afgericht op slimme streeken, Zich van verkeerde paden hoedt, Nooit anders pleegt, dan recht en goed; Niet anders ooit, dan waar wil spreeken.
3Die is ’t, die ver van beuzelpraat, Zijn tong voorzigtig houdt gebonden; Geen schandlijk’ agterklap begaat, Die nooit op laster of op smaad Van zijne naasten word bevonden.
4Die is ’t, die, wijs en welbedagt, De god-vergeeten’ snoode zielen, Al blinken zij in staat en pragt, Geen huld’ of eerbied waar-
dig acht, Veelmin voor hun wil nederknielen.
5Die is ’t, die Deugd- en God-gezind, Alleen de Vroomen houdt in waarde, En ’t zuiver hart oprecht bemint, Schoon ’t gunst, noch eer bij iemand vindt, Ia als verschooven is op aarde.
6 Die is ’t, wien trouw en rein van grond Alleen d’ oprechtheid kan bekooren, Wiens tong en hart zijn in verbond; Die ’t woord, dat vloeid’ uit zijnen mond, Staaft als met eenen eed bezwooren.
7Die is ’t, die geen bejag van geld Of vuil gewin in ’t hart voelt blaaken; Het zijne niet op woeker stelt, Om door een heimelijk geweld Zijn’ broeder tot zijn’ slaaf te maaken.
8Die zo in hart en daaden is, Wat zaligheid kan hem ontbreeken? Zijn gang is recht, zijn pad gewis, Het eeuwig heil zijn erfenis: Nooit reine Deugd van loon versteeken.
Cookies on Poetry Cove