Tiende tooneel.
Herodes, Salome, Pheroras, Thamar, Judas.
Pheroras, tegen Salome.
Wat deert den Vorst, dat hy dus schynt verbaasd, Mevrouw?
Salome.
Licht dat hy 't u verklaart.
Herodes.
Ach! was ik nooit gebooren!
Pheroras.
Daar komt hy naar ons toe, verbaasd, vervoerd van tooren.
Herodes.
De Koningin heeft op myn leeven toegelegt:
Salome.
Dit hebben wy u lang gewaarschuwt, en voorzegt;
Doch 't kon uw geest altoos verstooren en mishaagen.
Herodes.
'k Beken, 't is waarheid; maar die 'k eeuwig zal beklaagen.
Salome.
Gy weet haar boosheid nu, en 't dreigende ongeval.
Herodes.
Maar ook met een de straf, die haar verderven zal,
En u vernoegen. Ja, 't besluit is reeds genoomen.
't Is best, haar boosheid met myn strafheid voorgekoomen.
Volg my, om af te doen het eind van deeze zaak.
Tegen Judas.
En gy, blyf hier omtrent, tot dienst van myne wraak.
Einde van het Tweede Bedryf.