Skip to content
1731

Tooneelpoëzy

Katharina Lescaille

Vierde tooneel.

Philoctetes, Iöle, Dirce, Kleon.

Philoctetes. Ik heb dan eindelyk myn vryheid weêr gekreegen. 't Is my geöorlooft hier te koomen. Maar durft gy, Na dat gy deed zo groot een trouw'loosheid aan my, Wel, zonder wroeging, schaamte, en doodlyke ongenuchten, Zulk een rampzalig Prins aanzien, en hooren zuchten, Die niet rampzalig waar', zo gy waart zonder schuld; Die zyne elenden had volëindigd met geduld, Indien gy niet, door een meêdoogenloos ontfermen, Verkeerd getracht had om een leeven te beschermen, Dat hy verliezen wil, door de allerwreedste pyn, Om 't niet verschuldigd aan uw trouw'loosheid te zyn? Iöle. Wat zegt ge? O Hemel! ach! Versta ik wel u reden? Ik trouw'loos? Zag men my zo spoorloos ooit van zeden? En heeft myn zuiv're min, die nimmer vlekken had, Verdient dat zy met zulk een laster werd' beklad? Zyt gy 't, gy 't zelf, Prins, die my durft dus bitter hoonen? Philoctetes. Ja, Wreede, ik ben 't, om u de smart en smaad te toonen Die 'k van uw valsheid voel, Ik ben 't, die door myn klagt, Deeze eindelooze kwaal noch wat te helpen tracht. Ik heb, op dat ik u verwyten zoude uw schanden, En trouw'loosheid, gewenscht ontslaaging van myn' banden.

Hoe! gy trouwt Herkules; en neemt, tot myn verdriet, De wreede vryheid, die ik door uw zorg geniet, En 't leeven dat gy my, in weêrwil van dit harte, Behouden wilt, daar 't kwynt en sterft van minnesmarte, Voor een verschooning dat ge uw trouw en deugd verlaat! Neen, neen, myn vryheid, en het leeven, dat ik haat, Is my een nieuwe straf, en minder te gedoogen, Om dat die stelt zo wreed voor myn beleedigde oogen Een onstandvastige Meestres; en, tot myn smart, Een Medeminaar die gelukkig heeft haar hart. Iöle. Gy, die alleen dringt in het diepst' van myn gedachten, O Goden! en de elend' der menschen kunt verzachten, Ziet, ziet, hoe 't woên van een Ondankb'ren hoont myn trouw. Maakt dat de wroeging, vol van een oprecht berouw, Zyn dwaaling hem vertoon'. Maar nu 'k, met u te bergen, Zo zeer misdaan heb, en uw gramschap schyn' te tergen, Door welk een weg kan ik u veiliger behoên? Zo na zynde aan het graf, wat zal ik eind'lyk doen? Philoctetes. Ach! my beminnen, en venoegd my laaten sterven. Iöle. U laaten sterven, Wreede! om eeuwig u te derven? Maar gy, die zelf klaagt van uw smart en minnegloed, Zeg, is 't op zulk een wys dat men beminnen moet? Wat Minnaares stelde ooit haar Minnaars dierbaar leeven Niet boven haare trouw? Wat voorbeeld kunt gy geeven In 't voordeel van uw raad? Een hart dat teêr bemint Word nimmer wreed, noch in zyn driften zo verblind. 'k Wil, door een overmaat van yver, nooit bedryven Zulk een onmenschlykheid om u getrouw te blyven. In spyt der eeden, die 'k voorheen u zwoer zo duur,

Dat gy alleen zoud zyn het voorwerp van myn vuur, Kies ik een ander. Welk een ramp me ook dit mogt baaren, Myn noodlot dwingt my om met Herkules te paaren. Maar, welk een schrik u dit ook geeve, in deezen staat, 'k Beminde u nooit zo zeer als nu ik u verlaat. Philoctetes. Wat liefde was 'er ooit zo vol onmenschlykheden? Gy valt in de armen van een ander, en breekt de eeden, Die gy zo dikwils hebt bevestigt; ja, gy maakt Myn hart wanhoopig, daar het uwe om my noch blaakt! Indien de liefde in u die wreedheid kan verwekken, Tot welk een uiterste zal dan uw haat zich strekken? Iöle. Ik geeve om u, myn Prins, te redden uyt den nood, Myn leevens liefste rust; 'k bewaar u voor de dood, Daar 'k duizend doôn ly, met myn wenschen in te toomen; En is dit haat, zie dan hoe ver die is gekoomen. Philoctetes. Noem de offerhand', daar ik het voorwerp van moet zyn, Geen heerelyke deugd, bekleed met valschen schyn. Wat rust verliest gy toch, die niet bedekt uw zinnen Zou vleijen, daar gy kunt zo licht een ander minnen, En uw staatzuchtigheid veel grooter Bruigom keurt? De heerlykheid van 't lot, het welk u valt te beurt, Vergoed u ruim dat gy verliest. Maar, door wat reden Behoud gy noch in my een leeven, dat licht heden De rust kan stooren van uw glory en geluk? Neen, denk niet dat ik ben zo laf door al myn druk, Om zulk een spyt alleen met zuchten te bepaalen, En zien een ander van het myne zegepraalen: Of dat myn troost'loos hart bedekt beschreijen zou 't Verand'ren van het uwe, en dat ik, yders trouw

Mistrouwende, terstond moest deeze plaats verlaaten, En wyken daar ik leere u vlieden, en u haaten. Neen, neen, wat ramp my door het noodlot mag geschiên, 'k Wil echter 't wreede feest van uw verëenen zien, Voor 't echtältaar verwoed my aan uw zyde voegen, En, tot myn zoetste vreugd, uw bitterste ongenoegen, Uitschreeven: Ach! Ontmenschte, aanschouw, aanschouw, waar heen De staatzucht u vervoert: uw trouw hoor my alleen. De Goden, die nu weêr getuigen zullen wezen Des nieuwen huw'lyksëeds, die waren 't ook voor deezen Van d'eersten. Maar, hoe kan 't rechtvaardig Godendom Uw trouw verzeek'ren aan uw tweeden Bruidegom, Nu dat gy wreed die van uw eersten hebt geschonden, Zelfs onder hun gezicht, hoe dier gy waart verbonden? Iöle. Ondankbre! ik zie dat gy al uw genoegen stelt Om my wanhoopende te maaken. Wat geweld Gevoelt myn ziel! wel aan, verzaadig dan uwe oogen Met zulk een zoet gezicht: blyf zonder mededoogen! Philoctetes. Maar gy maakt zelf my ziel wanhoopig. Waarom my Bedroogen door een snoode en valsche veinzery; En my straks, om myn vrees en kwelling te verdryven, Verzekert dat ik van uw hart zou meester blyven, En 't niet verliezen, dan met myn volkoomen zin? Spreek, heb ik dit gewilt? Is myn oprechte min, Daar Herkules zo wreed my dreigde, wel bezweeken? En welk een proef eischt gy, die u niet is gebleken? Als hy u voorschreef zulk een doodelyk wet, Heb ik het sterven u niet daadelyk belet? En u gebeden, dat ik mogt voor u myn leeven Op 't altaar van de min tot een zoenöffer geeven?

Maar stervende voor u, dacht ik dat gy getrouw Een hart, aan my verpligt, bewaaren zoud, Mevrouw. Iöle. Wel aan, nu 'k schuld heb in uwe oogen en gedachten, Straf, straf myn misdaad, om uw kwelling te verzachten, Door een standvastige vergetelheid. Verlaat Dit hof voor eeuwig, daar 't u alles tegenstaat. Vlucht, vlucht van hier, myn Heer. Philoctetes. Gy zult misschien gelooven Dat ik zal, vluchtende, u niet van uw rust berooven; En lyden dat men uw vervloekte misdaad kroont, Of niet zou trachten, daar ik ben zo zeer gehoond, Door 't alleruiterst' van myn krachten, te verderven Een huw'lyk, dat alleen is oorzaak van myn sterven. Neen, vlei u hier niet meê; 'k zal naar den tempel treên Daar 'k door myn wanhoop, vol verwoede afgryslykheên, Een voorbeeld geeven zal van myn gerechten tooren; 'k Zal 't yv'rig kerkgebaar van de outerpriesters stooren, En, aan het Godendom als een slagtöfferhand My overgeevende, tot uw verdriet en schand', U 't recht afeischen van myn bloed en van myn leeven. Vaar wel, Mevrouw.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Tooneelpoëzy · Katharina Lescaille · Poetry Cove