Vierde tooneel.
Ariadne, Pirithoüs, Arkas, Nerine.
Arkas, tegen Pirithoüs.
Myn heer, daar is een brief van Thezeus.
Ariadne.
Groote Goden!
Geef; 'k zal dien zien. Wie bragt, wie zond u dien? van waar?
Hy 's weg, Nerine. Ach! dit 's de blyk dier droeve maar'.
Arkas.
Een schip kwam met den brief straks aan dit strand gevaaren.
Ariadne.
Ik lees al beevende. Hy zal myn lot verklaaren.
Thezeus aan Pirithoüs.
Vergeef myn vlucht, waar toe my dwong de kracht der min,
Dat ik die buiten u, en uwen raad, dorst waagen.
Die zelfde min verkrachtte ook Phedraas hart en zin:
Zy vlucht met my. Wil zorg voor Ariadne draagen.
Wat wreede zorg! hy trapt me op 't hart, en schend zyn trouw,
En wil noch dat men voor my zorgen zal.
Pirithoüs.
Mevrouw,
Gy hebt, hoe zeer die maar' mag uwe ziel doorsteeken . . . .
Ariadne.
Laat my met vrede; ik wil u hooren, zien, noch spreeken.
Gy hebt, Pirithoüs, verhaast my dood alleen
Met uwe komst, die steeds aan my noodlottig scheen.
Pirithoüs.
Ik ben onkundig . . . . . .
Ariadne.
Ga, ga deeze tyding brengen
Aan Enarus. Laat my in vryheid traanen plengen.
Het is genoeg dat my Nerine alleen verzelt.
Pirithoüs.
Hoe zal de Koning zyn van deeze maar' versteld!
Ariadne.
Neen, Thezeus heeft hier met zyn kennis toegetreeden,
Hy zelf hem licht geleid tot deeze trouwloosheden.
De Vorst, gy, en de Goôn, bood alle hem de hand.