Skip to content
1731

Tooneelpoëzy

Katharina Lescaille

Vyfde tooneel.

Wenseslaus, Ladislaus, Alexander, Frederik, Octavius.

Wenseslaus. Blusch deezen haat. Zyn zaak stel ik in myn belang. Heer, Hartog, groet den Prins. Frederik en Ladislaus omhelzen elkaar. Ladislaus, ter zyde. O welk een bitt're dwang! Wenseslaus. De Hemel wil dit vuur van vriendschap veder kweeken, 't Herdenken van de twist de vrede nooit verbreeken! En ziende u met elkaâr vereënd, door myn gezagh, Zo word myn oude ziel weêr jong op deezen dag. Frederik. Ik wil, op dat hy kenn' myn trouw, aan zyn behaagen Myn bloed opöff'rende, om zyn vriendschap 't leeven waagen. Wenseslaus. Gy hebt al lang genoeg uw leeven en uw bloed Voor ons gewaagt, en, door uw dapperheid en moed, Al wat een sterflyk mensch onsterflyk maakt verkregen. Maar de allerlaatste van uw daân, gekroond met zegen,

Verbaazen myn gehoor, en eischen van myn hand Belooning; want gy hebt de grenzen van dit land, Met weinig oorlogsmagt, gemaakt tot grafspelonken Van zulk een groot getal vyanden; 't aardryk, dronken Van hun hovaardig bloed, waagt van uw heldendaân. De Moskovyt bood ons den vrede, ootmoedig, aan, In zulk een kleinen tyd verwonnen, door uw krachten. Dit, dit zyn daân, waar van de erkentenis de magten Van de allermoogenste der Vorsten streeft verby. Ik heb daar van het loon gestelt aan uw waardy. Wil niets uitzond'ren; eisch. 'k Verlang uw keur te hooren. Ontslaa my van den eed, die 'k heb zo dier gezwooren, Dat ik erkennen zou uw trouw en dapperheid. Frederik. 'k Was alles dier verpligt aan uwe Majesteit. Wenseslaus. 'k Eisch uw beleefdheid niet, nu 'k wil uw deugd beloonen. Het woord der Vorsten weegt zo zwaar als hunne kroonen, Dat, zo 't hun moog'lyk is, moet daadlyk zyn volbragt. Ja, 't is van al te groot een waarde, klem en kracht, Om 't, als een enkele belofte, te vertraagen, Waar door ik de eer daar van zou aan 't geheugen waagen. Frederik. Terwyl gy wilt dat ik het onverdiende loon Van zulk een hulp, die 'k was verschuldigd aan uw kroon, Naar myn behaagen, of 't my toekwaam', zal waardeeren; Myn Heer, u dienst te doen is 't wit van myn begeeren: Door vuur en staal myn lyf te waagen, dat is my Meer glory, meer vermaak, dan alle heerschappy. Dit is de prys, dien 'k wensch. Doch, zo myn moed de smarte, Van myne minnewond, en afgepynigd harte Uitdrukken dorst, ik zou. . . . .

Ladislaus. Hou op. Bepaal den loop, Hovaardige, van uw begeerte, drift en hoop; En wil uw wensch naar uw verdiensten evenaaren. 'k Zal anders, welk een ramp het ook aan my mogt baaren, Spyt kroon en leeven, 't vuur van uw verliefden gloed Uitblusschen, tot myn wraak, in uw onëedel bloed. Leer dienen zonder hoop, te lyden, en te zwygen: Of. . . . . Frederik. 'k Leyde, en zwyg, nu ik uw gunst niet kan verkrygen; En kwetst myn hoop uw eer, zo kwetst zy ook myn pligt.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Tooneelpoëzy · Katharina Lescaille · Poetry Cove