Skip to content
1731

Tooneelpoëzy

Katharina Lescaille

Tweede tooneel.

Mariamne, in haar gevangenis.

Om my, met smart op smart, benaauwd te prangen, En eindelyk op te off'ren aan de dood, Is 't ligchaam hier gestreng geboeid, gevangen, Maar niet de ziel: die streeft door allen nood; Die zal zich zelf gewillig overgeeven In 's Hemels hand, wiens almagt my ze eerst gaf, Bepaalende de lengte van myn leeven. 'k Zie dat de nyd reeds heeft gemaakt myn graf; En dat de Schrik en Moorder van myn Maagen, De trouwelooste en lafste Dwingeland, Die my verdrukt met onverdraagb're plaagen, Myn zuiver hart tracht, in zo bang een stand, Door schyn van reên, met misdaân te bezwaaren. Om dat hy zelf weêr nieuwe zou begaan. Vaar voort, vaar voort, ô wreedste der Barbaaren! 'k Ben reed, Tyran, om, zonder zucht of traan, U met myn hoofd onschuldig te betaalen D' ontrouwen eisch van uw bloeddorstig hart: En met wat angst men ook den dood mag maalen, Hy koom, en maak het einde van myn smart. De dood kan my, hoe schrikk'lyk! niet vervaaren. 'k Verlang, ik wensch, dat hy haast scheid' van een Twee, die men zag op 't aardryk zaamen paaren, Schoon onverëend in hun genegenhêen. Wanneer de deugd, verdrukt door vuile dampen Van de ondeugd, noch haar adem haalen moet, Lyd zy zo zwaare en onverdraagb're rampen, Gelyk als een die zyne doodschuld boet, En leevendig is mond aan mond gebonden

Op een gesturven mensch, die reeds verrot. De Hemel, die my steeds heeft toegezonden, Van myn geboortuur af, een lydig lot, Dat my steeds reên tot klaagen bragt en schreijen, Maakt nu dat zich myn geest, met vreugde, geeft In zyne magt, die my zal gunstig leijen Waar dat men, vry van rampen, eeuwig leeft: Hy zal my door de smerten heen doen breeken, Ja laaten my haast zegepraalend gaan Op roozen, daar de distelen niet steeken. 'k Zal haast verlost, en hoog verheerlykt staan.

Maar zachtlik hoor gerucht: doch wat het ook mag wezen, Daar 's niets waar voor myn ziel verschrikken zal of vreezen. Met deezen laatsten troost versterkte ik myn gemoed, Na dat ik sleet myn tyd, vervallen van al 't zoet, Dat ik moest wachten van myn 's leevens lentedagen, In zulk een echt, die my verwekt heeft alle plaagen.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Tooneelpoëzy · Katharina Lescaille · Poetry Cove