Vyfde tooneel.
Flaminius, Attalus.
Attalus. Myn Heer, Wat zeg ik? ziende my in zulk een top van eer, Die zelfs de hoop streeft van de dappersten te boven, Meer gunst genietende als ge aan my ooit dorst belooven, En ik u eischte. Maar 'k voel echter, wie 't ook wraakt, Dat my myn Vaders troon geenszins gelukkig maakt: En 't geen myn zinnen streelt, en 't hart tot vreugd kan noopen, Is dat ik veilig mag op Laodise hoopen. De koninglyke staat maakt my haar gaaven waard. Flaminius. Haar hart is moog'lyk met uw wenschen niet gepaard. Attalus. Gelyke staat verbind de harten dikwils nader: Ook is dit het bevel van haaren veegen Vader; En, naar zy zelf verklaart, zo moet de Koningin Van 't ryk Armenië, door 't lot, zyn Gemaalin Van hem, op welkers hoofd myn Vaders kroon moet koomen.
Flaminius. Die wet behoeft van haar niet waar te zyn genomen. Zy is een Koningin, en doet dat haar behaagt. Hoe! zal ze u minnen, om een Rykskroon die gy draagt, Ten koste van een Prins, die diep staat in haar harte? U, die haar deezen Held ontrukt, en van zyn smarte Zyt de eenigste oorzaak? Attalus. Maar, wat magt behoud haar wil Na 't weggaan van dien Prins? Wie zal, in haar geschil, Zich mengen tegen ons, en Romen? 'k Mag my vleijen Met uwen bystand. Flaminius. Daar kost ge u wel in misleijen. De dingen kunnen licht verand'ren: 'k wil 't u niet Verzeek'ren. Attalus. Hoe! wat schand', wat schaamte, wat verdriet Waar dit voor my? Ik zou veel meer zyn te beklaagen, Als Koning, zo 'k de kroon met uwen haat moest draagen. Maar, neen, 'k vrees al te licht, 'k weet Romen is geenszins Zo wankelbaar. Hebt gy geen last? Flaminius. Ja, voor den Prins, Die van zyn eerste jeugd is opgevoed te Romen, Maar voor den Vorst, die 't Ryk van Pontus heeft bekoomen, Verwacht ik nieuwen last. Attalus. Verwacht gy nieuwen last? Kan 't moog'lyk zyn? Is dit, is dit dat Romen past? Hun trouwen Voedsterzoon zo licht met nydige oogen Te aanschouwen, daar 't eerst ziet opgroeijen zyn vermoogen?
Flaminius. Maar wat vermoed gy door de drift die u misleid? Attalus. Gy leert my zelf hoe ik de wispeltuurigheid Van de Romeinen moet verstaan, om hen te vreezen. Flaminius. Ik zal ze u doen verstaan, en wil u wel geneezen Van deeze dwaaling, daar gy schynt in voort te gaan. Prins, Romen heeft voor u al wat het kon gedaan By Laodise; en zo 't haar troon u deed bekleeden, 't Verrichtte een euveldaad vol onrechtvaardigheden, Zyn oorsprong neemende uit de gunst die 't u betoont. Maar nu 't aanschouwt uw hoofd door eed'ler weg gekroond, Bewaart het zynen roem, zo hoog in top gesteegen, Zich zelf ontslaande van geweld hier in te pleegen. Laat dan de Koningin haar vryheid; keer uw zin Dan elders. Romen kiez' voor u een Gemaalin. Attalus. Maar zo 'k haar eind'lyk kon tot wedermin verpligten? Flaminius. Men zou den Roomschen Raad hier echter meê betichten, Als of dit door zyn list geschied ware of geweld: Dit Huw'lyk krenkte de eer van Romen. Beter stelt Gy 't uit uw zin, indien gy mynen raad wilt achten; Of heeft die op uw hart geen kracht, zo moogt gy wachten 't Goeddunken van den Raad. Attalus. Wanneer dat myn gezicht Ziet uw genegenheid tot my verkoeld zo licht, Ontdekt ik al te klaar, dat my de Roomsche Staaten Geenszins beminnen, maar Prins Nicomedes haaten: En als ik wierd gevleid, 't was niet om my (ô neen!) In top te heffen, maar myn Broeder te vertreên.
Flaminius. Om u niet al te bits een antwoord straks te geeven, Op de eerste proef van uw ondankbaar tegenstreeven, Zo volg uw zin: verstoor uw Vrienden: 't staat u vry Als Koning. Maar dewyl ik had gedacht dat gy Nu 't meest erkennen zoud, dat gy alleen door Romen Zyt tot de kroon, en zo veel waardigheid, gekoomen, Die zonder ons niet kan bestaan, hoort gy voor al Te denken op 't bevel uws Vaders, en 't geval.
Cookies on Poetry Cove