Tweede tooneel.
Agamemnon, Euribates.
Agamemnon. Hebt gy, Euribates, de Koninin doen hooren Dat ik haar 't Hof ontzeg in myn rechtvaarden tooren! En dat ik uit Myceen haar doe naar Sparte gaan? Euribates. O ja! Agamemnon. Met wat gelaat en hart heeft zy 't verstaan? Hoe droeg ze zich op uw zo onverwachte reden? Euribates. Zy droeg als Koningin met alle eerbiedigheden, En als een droeve Vrouw gehoorzaam deezen slag. Zo 'k in haar voordeel maar een woord gebruiken mag. . . . . Agamemnon. Neen, niets verschoont haar schuld, noch kan myn wraak betoomen. 'k Ben aan dit Hof, na tien jaar oorlogs, weêrgekomen,
Verlangende om te zien een Gade, een Koningin, Die 'k dacht dat my oprecht behield haar trouw en min. Hoe lang heb ik gewenscht myn glory, buit en zegen, Door zo veel zweets en bloeds in Ilium verkreegen, Met myne Wederhelft te deelen heel verheugd! 'k Zond zelfs Kassandra weg met dubbelde ongeneugt, Bedroevende myn hart voor eeuwig met myne oogen. Wat zwakheid had ik, ach! en hoe was ik bewoogen Myn waarde Euribates! Maar 'k offerde myn trouw Volkomen en volmaakt aan myn ondankb're Vrouw. Nu dank ik midlerwyl haar snood en ontrouw leeven, Waar door ik naar myn wensch myn hart weêr weg kan geeven. Euribates. Is dan uw vlam noch tot Kassandra niet gebluscht? Een vlam zo schaad'lyk voor uw glory, staat en rust, En die zelfs schrik en vrees kon in uw hart verwekken? Gy stelde vast dat zy op morgen zou vertrekken, En wilt ge nu . . . Agamemnon. 'k Beken 't, ik wilde zulks; 't is waar: Maar 'k zag die Schoonheid weêr, en heb op nieuw van haar Al die geneegenheên op 't tederst ingezoogen. 'k Wil nu niet dat ze zal vertrekken van myne oogen, Maar dat ze hier het Ryk regeere nevens my. Euribates. Maar hoe! myn Vorst? de plaats der Koningin, zult gy Die overgeeven in haar magt? Agamemnon. ô Ja! rechtvaardig. De Koningin vertrekt, die glory niet meêr waardig. De Echtscheiding was al lang by Koningen gemeen. 'k Voel hoe myn gramschap mort in deeze moeilykheên,
Als ik maar denk haar straf verzachting toe te brengen, En myn genade in myn verbolgenheid te mengen. Spreek my nooit weder van het voorwerp van myn haat: Spreek van die keur alleen die 't al te boven gaat, Die my het hart ontsteekt, daar 'k alles in kan vinden; Van 't godlyk voorwerp dat de Goden zelfs beminden; Van dat natuurlyk schoon, van misstal eeuwig vry; Van dat gelaat, wel fier, doch zonder hovaardy: Meld hoe ze in 't midden van haar boeijens en haar kwaalen Verschynt als een Prinses met koninklyke straalen; Hoe 't Godendom spreekt door haar minnelyken mond, En dat, zo Troje aan haar voorzegging, stond op stond Getrouwelyk vermeld, geloof had willen gegeeven, Zy ons veel Vorsten had doen spaaren in het leeven, En zulk een gruuwzaam woên. De Hemel, die hen wreekt, Heeft deeze liefde in my niet zonder reên gekweekt. Gelooft ge, daar ik uit een kryg ben weêrgekoomen, Daar 't bloed langs de aarde vloeide in meenigte van stroomen, Daar myn verwoedheid doet myn naam verachtlyk staan, Daar ik den haat der Goôn heb op myn hals gelaân; Gelooft ge dat men die met wierrook en gebeden En slechts met eenige Slagtöffers stelt te vreden? Ik zal wel anders al myn woede op 's vyands bloed Verzoenen moeten eêr hun gramschap is geboet. Was 't hun bevel dat ik, om Broeders smaad te wreeken, In zo veel Ryken zou het oorlogsvuur ontsteeken? Al de omgewroette steên, in moord en brand gezet, Geslagtte Dochters en de Kinders droef verplet, Verdrukte Moeders en al de omgebragte Gryzen, Waar voor de Moordzucht zelf verschrikken moest en yzen; Deez' roepen wraak; en ik, hun Overwinnaar, moet Hun smarte stillen in het wreeken van hun bloed.
De glory van zo veel doorluchte doôn en helden, Die nu onsterflyk zyn in de Elizeesche velden, Herleeven door Kassandre in een volkomen stand. Men moet in haar geheel haar Staat en Vaderland Herstellen, en voldoen de gramschap van de Goden.
Cookies on Poetry Cove