Vyfde tooneel.
Mariamne, Dina, Thares, Alexandra, Benjamin.
Thares. In weêrwil van my zelf, moet ik aan u verrichten Zo moeijelyk een dienst: myn ampt, myn trouw en pligten Verëischen dat, als een noodzaaklykheid, van my. Mariamne. Hoe kwaalyk past ge op my, myn Vriend, uw medely! 'k Omhels de dood, met vreugd, vrywillig, ongedwongen. Lei, zonder droefheid, my, daer 'k ruim en ongedrongen, Ontlast van zorg, gerust de dood tart', wel te vreên. Herodes wil 't; en ik, ik ga hem tegentreên. Doch zo noch iets op aard' myn blydschap kan vermind'ren, Het is de droeve zorg voor myn twee lieve Kind'ren, Die 'k nalaat, welk een leed! Dit ongelukkig Kroost, Zal, om de Moeder, by den Vader hulp noch troost Genieten, maar altoos onwaardig zyn verstooten. 'k Hoop dat de Hemel, die zyn gusnt nooit houd geslooten, De onnoos'le Weezen zal verstrekken, na myn dood,
Voor Vader, en met een voor Moeder, in den nood. De zuiv're deugd verlicht' hun harten en hunne oogen, Door heilige indruk van een goddelyk vermoogen; Op dat ze in 't groot gevaar van deezen boozen tyd Geen schipbreuk lyden; maar, de wreede haat ten spyt, Gezind zyn om veel eêr te sterven duizend dooden, Dan iets te doen het geen de Hemel heeft verboden. Dat nimmer overvloed van droefheid, of van vreugd, Van voor- of tegenspoed hen aftrekk' van de deugd! En zo de zon van hun geluk eens door mogt breeken; Dat zy niet denken om hun Moeders dood te wreeken, Maar, om onstraffelyk te leeven, zonder schuld, Als ik te sterven, vry van vrees en ongeduld! En gy, bloedgierig Mensch, ontaarde Ziel vol schanden, Wiens lust men naar 't verderf ziet van de onnoos'len branden; Dewyl gy nooit verzacht uw wreed gemoed noch zin, Ga ik kloekmoedig, zo als 't past een Koningin, Voor u uitstorten daar ge u zelf meê kunt verblyden: Tot lessing van uw dorst, en 't einde van myn lyden, Schenk ik u al het bloed dat in myn aad'ren is. Drink, drink, Boosaardige, drink zonder deerenis; Doch denk niet dat gy, met de vlek my aangevreeven, Myn eer gelyk'lyk zult vernielen met myn leeven: O neen! myn zuiv're naam, uit haat, besmet, vertreên, Zal echter straalen door de mist van laster heen; De naneef nimmermeer iets tot myn schand' gelooven. Men kan de waarheid met geen logenen verdooven. De tyd zal haar eerlang vertoonen aan het licht, En myn verdrukte deugd doen zien aan elks gezicht; Ja, het verhaasten van myn doodstraf klaar bewyzen Uw onrechtvaardigheid, die yder met afgryzen Vervloekt. Uw wreêdheid, welke alom zich openbaart,
Vernietigt in my niets dan een verderf'lyke aard': Maar 't onverderf'lyk deel, de ziel, versierd met straalen, Van myne deugd, ontlast van rampen, druk, en kwaalen, Zal eindelyk, ten trots van alle nyd en haat, Voor eeuwig blinken in een luister zonder maat. Maar 'k zie myn Moeder my op deeze plaats verwachten. Zy zal myn lyden, met haar laatsten troost, verzachten; Troost, die my nimmer weêr op aard' gebeuren zal. 'k Wench dat haar hart, om myn rampzaalig ongeval, Wat meerder rust had, en wat minder was bewoogen. Wil, heusche Thares! op myn bede, toch gedoogen, Dat ik haar zeg vaar wel, en voor het allerlaast Omhelze, en kussen mag. Thares. Maar dat gy u dan haast. Mevrouw, ik zou de schuld van dit vertoeven draagen. Myn last moet zyn gevolgd, ik durf geen uitstel waagen. De Vorst . . . . Mariamne. Deeze aanspraak is in weinig tyds gedaan. Mevrouw, men dwingt my naar een and're plaats te gaan. 'k Zal de aardsche wooning, om een hemelsche, verruilen, Daar 't buld'ren van de nyd, uit diepe en naare kuilen, De harten, noch de lucht met haare gruw'len pynt, En daar de Onschuldige verheerelykt verschynt: Daar een Tyran de deugd uit haat nooit kan vertreeden: Daar de eed'le ziel, tot loon van haar standvastigheden, In vreede smaaken zal het onwaardeerlyk zoet, En, zegepraalende, de vreugde van 't gemoed. Zo wreed een lot brengt my naar 't wit van myn verlangen. Ik ga vrywillig, om de dood met vreugd te ontfangen. Troost u hier meê. 'k Omarm u voor myn laasten pligt.
Vaar wel, Mevrouw! vaar wel. 'k Verlaat uw aangezicht. Alexandra. Volëind uw leeven: ga, Rampzalige, ga heenen. Hoe! meent gy, dat ik noch zal uwe straf beweenen? Neen, 'k ban, gedwongen, al de deernis uit myn hart; Dat hart, waar onder ik u droeg met zo veel smart. Is 't moog'lyk? moest ik dan u op het aardryk baaren? U kweeken, koesteren, met zorg en angst bewaaren? Uw leeven leiden in den morgenstond der jeugd, Op dat ge u zelve zoud verwyd'ren van de deugd, Om u Gemaal, de Vorst zyn ondergang te brouwen? Uw schuld. . . . . Maar ga, ik kan u langer niet aanschouwen. Verduur de straf, die u van 't noodlot is bereid. Het Moeders hart heeft lang vergeefs voor u gepleit; 't Verzaakt u: ja, gy zyt van my ook niet gekoomen. 't Verraad heeft nimmer plaats in deeze borst genomen. Mariamne. Behou uw leeven: ik zal sterven wel te vreên. Thares. Gaan wy, Mevrouw, gaan wy. Mariamne. Langs welk een weg? Thares. Dit heen. Dina. O welk een wreedheid! Benjamin. Ach! welk een geduld, en lyden!
Cookies on Poetry Cove