Vyfde tooneel.
Phedra, Thezeus.
Thezeus. Bestraalt des Hemels gunst myn liefde, en heeft zyn magt Dan Ariadne, op myn gebeên, zo haast verzacht? Mevrouw, wat groot geluk! mag ik, na zo veel zuchten, In vryheid u myn hart verklaaren, zonder duchten? Wat kracht uw schoonheid heeft op myn verliefd gemoed, En hoe de vrees . . . . Phedra. Vrees vry te ontdekken uwen gloed. Gy ziet me, eêr dat ik met u spreek, in duizend zorgen, Beducht of hier mogt een getuige zyn verborgen. Waant gy die storm gestild, en 't hevig vuur gedoofd? Neen, beef, Prins, beef: zy dreigt te storten op uw hoofd. Al wat men immer 't wreedst en doodlykst af kan maalen Van een gehoonde min, die, buiten maat en paalen, Verwoed holt zonder toom, is maar een schaduw by Haar felle gramschap, en verkropte raazerny. Zy veinst alleen dat haar uw Echt niet zal mishaagen, Om u te trekken in haar heimelyke laagen, Haar Medeminnaares te ontdekken, en waar ze u Op het gevoeligste kan treffen. Goôn! ik gruw,
Nu 'k denk hoe fel ze in my haar vyandin zal haaten. Hoe meer ons 't bloed verbind, en zy zich heeft verlaaten Op my; hoe meer haar smart, hoe heviger haar woên En wraak zal wezen: niets kan my voor haar behoên. Myn val staat vast: dit heeft haar spyt my straks gezwooren. 'k Heb myn doodvonnis uit haar mond zelfs moeten hooren, De drift der min kan, eêr men 't weet, vaak 't hart verraân. Myn bloed moet haaren hoon afwasschen, en verzaân Haar wraakdorst. Prins, gy kunt dit werk nu voort voltrekken: Door u begon 't. Thezeus. Waar toe haar gramschap ook mag strekken, Men kan die licht ontgaan: daar 's geen gevaar, ô neen! 'k Zie door die kalmte van haar drift en 't veinzen heen, Hoe wreed de donder uit zal barsten van haar tooren: Maar, om het dreigen noch 't gedruis daar van te hooren, Zo vluchten we van hier, Mevrouw: kom, laat ons vliên. Gy kunt te Atheenen 't eind' van al uw zorgen zien, Door een gelukkige Echt, die u tot rust zal strekken. Myn schip is reed: men kan te nacht heel stil vertrekken. En, schoon de nood, waar in uw lieve leeven staat, Geen magt heeft u hier toe te dwingen, alles raad Ons hier toe aan, om 't lot niet meer te wederstreeven; En Ariadne word hier door genoopt te geeven Haar hand aan Enarus, als onze vlucht haar heeft Verzekert dat myn trouw zich aan een ander geeft. Ons eigen heil eischt, dat we ons stellen buiten vreezen. Phedra. Wie zal my instaan dat ge aan my getrouw zult weezen? Thezeus. Myn trouw! Geen tyd, noch dood zal myn oprechte zucht . . Phedra. Die had myn Zuster ook toen ze is met u gevlucht.
Thezeus. Haar meê te voeren was onmoog'lyk te vermyden: 't Was om haar voor de straf haar 's Vaders te bevryden. Myn eeden sprooten uit myn pligt. Myn hart alleen, Door al te sterke min van 't haare lang bestreên, Moest eind'lyk aan haar liefde en trouw zich overgeeven; En dit verkrachte hart heeft steeds, met wederstreeven En moeite, haar bemint. Is dit een euveldaad Van myne trouw, en die by u schynt zo gehaat? Waarom de misdaad my verweeten van uwe oogen? Ik zag ze, en zag daar in dat goddelyk vermoogen, Dat onvermyd'lyk maakt myne onstandvastigheid. Heb ik uw Zuster, die zo licht gelooft, gevleit, En licht'lyk wat te veel; gy zyt hier meê aan schuldig. Ik, ziende u steeds by haar, en wezende ongeduldig, Niet kunnende aan u zelf verklaaren mynen gloed, Zeide ik haar alles wat een teed're liefde voed; En gy wist al te wel dat u dit kwam te raaken. Ik dacht niet, oop'nende u myn hart en hevig blaaken, Dat ik hier door haar vlam aankweekte, en onderhiel: 'k Maalde u alleen 't oprecht gevoelen van myn ziel. Phedra. Wat zal ze, ô Goôn! hierom niet lyden! wat al zuchten En traanen storten in afgrys'lyke ongenuchten! Schoon ik haar smart gevoele, en daar meê ben belaân, 'k Heb, om niets meer te doen, reeds al te veel gedaan. Haar woede, haar verwyt, dat gruwelyk zal wezen, Na zo veel hoon, staat me, als haar Zuster, meer te vreezen Dan zelfs de dood, die zy voor my met alle elend' Bereid. Ze ontdekte uw liefde, en licht is haar bekend Reeds al het and're. Kom, ontvluchten wy de slaagen Van haare wanhoop, haar geschreeuw en vreeslyk klaagen. Ik zie, men moet . . . Maar ach!
Thezeus. Gy zucht! Phedra. Ja, 'k voel, myn Heer, Dat ik al dat gy wenscht maar al te veel begeer. Doch deeze Zuster steunt op my met hart en zinnen: Zy kon, met weldoen, liefde, en trouw, my steeds verwinnen. Ik loon dit goed met kwaad: 'k beroof haar 't zoet genot Van 't geen haar liefste is: ik, ik geef aan 't wreedste lot Haar over: 'k zoek haar dood, verraadende 't vertrouwen. Waarom beminde ik u? Thezeus. Hoe! kan u dit berouwen? Phedra. Ik weet niet; schoon myn hart door uwe liefde leeft, Zie, zie hoe dat dit hart noch echter zucht en beeft, Als 't om myn Zuster denkt: durf ik 't u noch doen hooren? Gy laat ze in Naxus, daar ze in haar verdriet zal smooren. Uw onstandvastigheid kan me elders laaten staan. Wie, wie zou wezen met myn klagt en smart begaan, Om dat ik, kennende u, my door uw trouwloos vleijen, Een voorbeeld hebbende aan myn Zuster, liet verleijen? Ik wil wel . . . . Maar 't is reeds gedaan: vertrekken wy. Thezeus. Vergeefs . . . . Phedra. Verloopt de tyd, met meer beraad, verby. Misdoet deeze achterdocht, 'k aanbiê my weêr om heden U na te volgen, waar dat gy me voor zult treeden: Myn liefde, ondanks myn hart, heeft eind'lyk dit gekeurt. Vervaardig alles: 'k zal gereed zyn op myn beurt.
Einde van het Vierde Bedryf.
Cookies on Poetry Cove