Zesde tooneel.
Agamemnon, Euribates.
Agamemnon.
Wat heeft de gramschap, die haar overheert met magt,
In die vervoering my een blydschap toegebragt!
Hoe wel te pas verlost zy, met zo trots te spreeken,
My van haar huwlyksband, door zelf onze Echt te breeken!
't Rampzalig huwelyk doet my geen meer geweld.
Myn min krygt ruimer en veel aangenaamer veld.
Laat ons Kassandra zien, en laat ons opgetoogen
De hoop van myne vlam ontdekken aan haare oogen.
Euribates.
Laat haar vertrekken. Hoe! myn Heer! wat wilt gy? Ach!
Agamemnon.
Myn ryksstaf en myn trouw haar aanbiên deezen dag.
Maar zy komt zelf.