Negende tooneel.
Genserik, Ispar.
Ispar.
Ik zie, wat Trasimond uw Zoon ook heeft misdaân,
Dat ge echter Vader zyt: de ontsteldheid van uw harte,
Door zyne dood, ontdekt een heimelyke smarte. . . . .
Genserik.
'k Beken het, Ispar, ik ben Vader: 'k voel, en weet
Dat ik zo licht den moord niet van myn Zoon vergeet.
Myn ziel is door die maar' bedroefd, en gantsch verslaagen.
Na dat ik die verstond, zo kon my niets behaagen.
Natuur neemt de overhand; ik voel myn hart verrukt
En door een wroeging, schoon ontydig, onderdrukt.
De beul van myn gemoed slaat in myn ziel zyn tanden,
Hoe dorst Sophrenia hem moorden met haar handen!
Was dan zo stout een hart in zulk een teêre Maagd?
Waarmeê of Trasimond die wreede heeft mishaagt?
Doch, nu 't onmooglyk is de dooden op te wekken,
Zo laat ons voordeel uit haar misdaad zien te trekken.
Zy oordeelt dat zy heeft groot recht op Afrika,
Laat ons dit staatsbelang voorzichtig, en, zo dra
Als 't moogelyk zal zyn, uitvoeren,en bekleeden,
Met een geveinsden schyn van recht en billykheden:
Laat ons haar dooden, om den moord van Trasimond,
En ons van alle zorg ontslaan op éénen stond
Ga, Ispar: wil terstond Sophronia bewaaren.