Vyfde tooneenl.
Herkules, Iöle, Lichas, Dirce.
Iöle. Myn Heer, 'k dacht hier de Koningin Te zien, om my voor haar te stellen als Slaavin, En, nu het noodlot dit verëischt, myn ootmoed toonen. Herkules. Mevrouw, wil van die zorg voor eeuwig u verschoonen; Verberg den waarden glans van uw bekoorlyk licht Voor haare minnenyd en toornig aangezicht: Wyk voor een trotse Vyandin, die, gantsch verbolgen, Als zy u zag, de drift mogt van haar woede volgen, En onrechtvaardig in u straffen de eed'le vlam, Welke in myn borst door uw schoone oogen oorsprong nam. Iöle. 'k Dacht dat uw Koningin, zo krachtig in 't bekooren, Zou blusschen zonder moeite een vlam noch pas gebooren, En haare wanhoop, staat, en teed're minnesmart Herwinnen de eerste plaats in uw grootmoedig hart. Herkules. Indien gy dit gelooft, zo vind ge u zelf bedroogen. Ach! 't is uw schoonheid, die me alleen houd opgetoogen. Neen, Dianira heeft geen glans genoeg, dat zy U 't hart, waar over gy geheel voert heerschappy, En 't welk alleen voor u wil leeven, zou ontrooven. De Koningin, bericht dat gy haar streeft te boven In schoonheid, had zich zelf met alle aantreklykheên Versiert: maar, met wat glans zy ook voor my verscheen,
Geleek ze een schaduw by uw luister zonder vlekken: En al de vrucht, die ze uit haar moeite en hoop kon trekken, Was dat ik dacht aan u, wanneer ik was by haar. Iöle. Myn Heer, wat leed gevoelt myn ziel op deeze maar', U ziende van zo groot een minnedrift bevangen, Waar van gy nimmer kunt erkentenis erlangen! Dies blusch grootmoedig door de reden deezen brand, Die uw doorluchtige eer verstrekken zal tot schand'. Herkules. Ach! wilt ge my dan in een poel van wanhoop leiden? Mevrouw . . . . . Iöle. Gy moet u zelf met alle kracht bereiden Om te overweldigen zulk een gehaate min. Geef, geef uw hart op nieuw aan uwe Gemaalin. Doch, kan haar glans u tot uw pligt niet weêr doen keeren, Zo zwicht, zwicht voor haar liefde, en wil die niet trotseeren. Herkules. Ik heb haar getrotseert; en om die 'k min zoude ik Den hemel, aarde, en hel trotseeren zonder schrik. Ja, al haar hevig woên heeft straks vergeefsche krachten Op my gespilt. Ik was zo doof voor haare klagten, Als ik my hield voor haar aantreklykheden blind. Schoon my haar gramschap zou verscheuren gantsch ontzind, 't Zal my veel zoeter zyn door haare hand te sneeven, Prinses, als zy me, om u, berooft van 't lieve leeven. Iöle. Ach! dit bedroeft myn hart. Waarom, doorluchte Held, Bestormt gy dat zo sterk met dit verliefd geweld, Daar 't u geen wedermin kan geeven? Wil niet poogen, Schoon gy 't heelal verwint, om door dat groot vermoogen Te heerschen in dit hart.
Herkules. Wie heeft meer recht, Mevrouw, Dan ik heb op dat hart, een ander zo getrouw? Maar denkt gy dat ik voor myne oogen zal verdraagen Een Medeminnaar, die u meerder kan behaagen? Neen, 'k ly geenszins dat hy my ongestraft braveert. En zo hy boven my noch in uw hart regeert, Vrees alles voor hem, en zyn leeven. Iöle. Welke reden, O Hemel! ach myn Heer! wie zou zyn pligt vertreeden? Wat Medeminnaar u . . . . . Helaas! zo 'k heb misdaân, En met myn weig'ring u vergramt, myn Heer, welaan, Straf my, de schuldige; my, die u dorst weêrstreeven. En, nu myn hart voor u niet is, zo neem myn leeven. Geef't vonnis van myn dood. Ik bid u vol verdriet, Verdoem d' onschuldigen toch om myn misdaad niet. Helaas! wat word myn ziel bestreên van duizend pynen, In zulk een onrust . . . . Herkules. Daar 'k uw liefde door zie schynen. Vrees, vrees, Ondankb're (nu ge my wanhoopig maakt,) Voor hem, om wien ge my verachten durft, en blaakt. Neen, 'k laat myn glory niet meer ongewrooken tergen, Te lang verraaden in de drift, die 'k wou verbergen. Ga voort van hier, Mevrouw. Gy, Lichas, haal den Prins Hier wederom. Iöle. Myn Heer, wat doet ge? Ik dacht geenszins . . . . . Herkules. Ga, straks zult ge, in myn wil, eens Minnaarsnoodlot hooren.
Cookies on Poetry Cove